Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
537
Is het lichtgevende ligchaam grooter dan het
schaduwwerpende, dan wordt de schaduw op grooteren afstand
achter het laatste steeds kleiner. Is daarentegen het licht-
gevende ligchaam het kleinste, dan neemt de schaduw met
den afstand in grootte toe en zou zonder einde zijn, zoo niet
ook de haar begrenzende lichtstralen met den afstand van de
lichtbron steeds zwakker werden, zoodat zij zich van de schaduw
niet meer laten onderscheiden.
Tig. 278.
295. De lengte der schaduw. De dagelijksche waarne-
ming leert, dat de schaduw van eenen toren of boom bij zons- der
opgang zeer lang is; zij neemt af hoe hooger de zon klimt, en schaduw,
groeit des namiddags weder des te meer aan, hoe lager de zon
daalt. De lengte der schaduw is derhalve van den stand
der zon afhankelijk.
Uit de lengte der schaduw laat zich de hoogte van een
op vlakken grond regtop staand voorwerp, b. v. een
toren, vinden. Men rigt ter zijde van de schaduw des torens
een loodregte lat of paal op, die zich b. v.
3 ellen boven den grond verheft. Daar-
op meet men de lengte der door den
toren geworpene kernschaduw van haar
uiteinde tot aan een punt, dat juist
loodregt onder de spits van den toren
ligt; deze lengte bedrage 20 ellen.
Bovendien heeft men terstond nog de
lengte der door den stok geworpene
kernschaduw te meten; zij moge 1 el
bedragen. Bij den op het oogenblik plaats hebbenden stand der
zon wordt dus een 1 el lange schaduw door een voorwerp van
3 el hoogte geworpen; de hoogte van een voorwerp overtreft
de tegenwoordige lengte zijner schaduw zoo veel maal als 1 el
in 3 el begrepen zijn; derhalve is het voorwerp 3 maal zoo hoog
als thans zijne schaduw lang is. De schaduw van den toren is
35*