Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
525
Eerste groep, blaasinstrumenten met een mondgat:
dwarsfluit, signaalfluit en de lippijpen van het orgel.
Tweede groep, blaasinstrumenten met een ketelmond-
stuk: waldhoorn, trompet, bazuin.
Derde groep, blaasinstrumenten met eene veerkrachtige
tong: klarinet, hobo, fagot en de tongAverken van het
orgel.
Eerste groep. De dwarsfluit heeft geene lippen, maar
een mondgat met scherpe randen, waaraan de uit den mond
van den speler komende lucht zich splijt; zij geeft den laagsten
toon, wanneer alle vingergaten gesloten zijn, den hoogsten
wanneer de opening het digtste bij het mondgat open is; tel-
ken male reikt de trillende luchtkolom tot aan het eerste opene
vingergat. Om het instrument lager te stemmen wordt een lan-
ger middelstuk ingezet.
De instrumenten der tweede groep hebben een naar bui-
ten zich ketelvoi-mig verwijdend mondstuk; daartegen leggen
zich de lippen van den muzikant, verkrijgen eene grootere
veerkracht en geraken in trillingen, bij welke verdigte en
verdunde hoeveelheden lucht in het instrument treden. Door de
verwijdingen aan het andere einde wordt de klank sterker. De
windingen hebben ten doel, de toongevende luchtkolom lan-
ger te maken, zonder aan het instrument eene ongemakkelijke
grootte te geven. De verschillende toonen worden op twee wij-
zen voortgebragt, door de verschillende sterkte van het aanbla-
zen en door het stoppen, door het inbrengen der hand in de
trechtervormige opening, hetgeen voornamelijk bij den wald-
hoorn geschiedt; in de bazuin laat zich bovendien door uittrek-
ken of inschuiven der stangen de luchtkolom verlengen of ver-
korten.
De instrumenten der derde groep bevatten een veerkrach-
tig plaatje van metaal of riet, de tong, die door aanblazen
tot het geven van toonen gebragt wordt. In de tongwerken
van het orgel, gelijk in de daarmede eenige overeenkomst heb-