Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
519
wier zijwanden de randen genoemd worden. Het van oud pijn-
boomen hout gemaakte bovendeksel is de klankbodem en deelt
ook aan het onderdeksel door een tusschen beiden geklemd staaf-
je zijne trillingen mede. Beide deksels zijn in het midden uit-
gesneden, zoo wel om den strijkstok toereikende speelruimte te
laten als ook om houtvezels van verschillende lengte voor de
verschillende toonen te verkrijgen. Dit doel bepaalt ook de ge-
daante der klankgaten, die noodig zijn, opdat de veerkracht
der ingeslotene lucht de trillingen der deksels niet belemmere.
De met colophonium (hars) bestrekene strijkstok trekt bij het
spelen de snaar naar de rigting, waarin hij strijkt; deze volgt
hem, maar slechts tot eene grens; weldra snelt zij uit hoofde
van hare veerkracht terug, wordt op nieuw overgetrokken en
snelt weder terug. Daar ieder strijkinstrument slechts vier sna-
ren heeft, zoo moeten de overige toonen door grijpen met de
vingers bepaald worden; waar de vinger eene snaar op het tast-
bord nederdrukt, daar heeft telken male de klinkende snaar haar
einde. Neemt men eene viool en drukt eene snaar naauwkeurig
in haar midden neder, zoodat eene half zoo lange snaar trilt,
dan hoort men de octaaf van den toon, die de geheele snaar
geeft. Volgens § 281 maakt de octaaf tweemaal zoo veel trillin-
gen ; bij gevolg heeft de helft eener snaar naauwkeurig het dub-
bele trillingsgetal. Wordt de snaar door grijpen met den vin-
ger zoodanig verkort, dat twee derde deelen er van trillen,
dan geeft zij de quint tot den grondtoon, dien de geheele snaar
aangeeft; een derde van de lengte der snaar heeft een driemaal
zoo groot, twee derden een y^ maal zoo groot trillingsgetal.
Gelijk daarom in het volgende overzigt de bovenste rij getallen
volgens § 281 de trillingsgetallen aangeeft, zoo bevat de daar-
onder staande de daarbij trillende lengten der snaren, welke de
oi/gekeerde breuken der trillingsgetallen zijn.
CDEFGAH 0
Trillingsgetallen. 1 % y, Yg % 5/3 2
Lengten der snaren. 1 % % % y3 % y,^
cr. nat. 34