Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
518
Daarop steunt het aanbrengen van den klankbodem bij
ieder snaarinstrument; deze moet van droog, veerkrachtig en,
zoo als men het noemt, regtdradig hout vervaardigd zijn; de
kortere houtvezels bevinden zich meestal ook onder de kortere
snaren, de langere onder langere en dikkere snaren.
Proef d. Om de trillingen der vezelen van een klankbo-
dem merkbaar te maken, neme men drie borstelharen, die men
uit een kamer- of kleêrschuijer kan trekken, en binde ze door
een omwonden draad zoodanig aan een klein stukje kurk, dat de
haren aan de eene zijde even ver, omtrent twee duim, uitsteken
en de pooten uitmaken, waarop het staat, gelijk een tafeltje met
drie pooten. Dezen toestel plaatse men op den klankbodem eener
piano. Slaat men verschillende toetsen aan, dan zal men weldra
die uitvinden, welker snaren ook de plaats van den klankbodem
in trilling brengen, waarop de borstels rusten. Met het stukje
kurk zullen zij dan beginnen zich te bewegen.
Snaar- 284. De snaarinstrumenten. De snaarinstrumenten on-
instru-
menten. derscheiden zich in drie groepen, naardat de toon door strij-
ken met den strijkstok, door tokkelen met de vingers of
door het aanslaan van toetsen wordt voortgebragt. Zoo
behooren tot de
eerste groep (s t r ij k i n s t r u m e n t e n): viool, alt, vio-
loncel, contrabas;
tweede groep: harp, guitare, lier;
derde groep: de pianofortes.
Eeeds de wijze, waarop de toon uit de snaren gewonnen
wordt, verandert den klank, dat is de eigenaardige nuance,
waardoor even hooge toonen zich onderscheiden; ook heeft
de stof, waaruit de snaren bestaan, maar vooral de gesteldheid
van den klankbodem, invloed op den klank.
Den grondslag der orkestmuziek maken de s t r ij k i n s t r u-
m e n t e n uit, welke in hunne zamenstelling zeer veel op elkan-
der gelijken. Het boven- en onderdeksel omsluiten eene kast,