Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
533
rigting met grootere snelheid voort te planten. Bij regen en
sneeuwval verneemt men de klokken van een naburig doi-p
niet, ofschoon men bij helder weder het luijen hoort, omdat
regendroppels en sneeuwvlokken de geluidsgolven op velerlei
wijze af breken en storen. In de lucht, langs eenen muur, over
een in rust zijnden waterspiegel of eene ruime ijsvlak-
t e, wier oneffenheden te onbeduidend zijn om de geluidsgolven
te storen, planten zij zich volkomener voort; de leiding is dan
regelmatig en gelijksoortiger.
Drupvormige vloeistoffen geleiden het geluid eveneens.
V i s s c h e n hebben een gehoororgaan en komen op een teeken, pend
met eene klok gegeven, in de nabijheid des oevers. Duikers ^Jg^^gt'
hebben in het water den knal van eene boven den waterspie- chamen.
gel afgeschotene pistool op eene diepte van omtrent 4 ellen
gehoord. Het tegen elkander slaan van steenen
en het aanslaan eener klok onder water hoort men zoo wel in
als buiten de vloeistof.
Ten derde leiden ook vaste ligchamen het geluid voort.
Proef fl. Men legge een gaand zakhorologie op het einde ^oo""
van een lang tafelblad of eene plank van den vloer en verwij- ijgcha-
dere zich zoo ver, dat men in de lucht het tikken van het ho-
rologie niet meer hoort. Legt men op dezen afstand het oor op
het tafelblad of de plank, dan hoort men het door het hout
voortgeleide tikken zeer duidelijk, waaruit volgt dat hout voor
het geluid een betere geleider is dan de lucht.
Proef /y. Aan een zilveren lepel binde men eenen draad,
waarvan men het eene einde tusschen de tanden neemt, en late
den lepel vrij neerhangen. Houdt men de beide ooren toe en
beweegt men het bovenlijf zoo, dat de lepel tegen de tafel slaat,
dan hoort men een sterk geluid, op dat eener klok gelijkende.
En toch kan het geluid daarbij slechts door vaste ligchamen,
den draad, de tanden en de beenderen van het hoofd, zich tot
aan den doolhof en de gehoorzenuwen verbreid hebben.
Zoo hooren zelfs dooven, wanneer slechts de doolhof en de