Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
484
der. De rijkelijk uitgeademde waterdamp wordt ons in den win-
ter in nevelvorm zigtbaar; maar wat gebeurt er met de ingea-
demde zuurstof?
Proef. Neemt men eene glazen buis in den mond, wier
ondereinde in helder kalkwater gedompeld is, en ademt men
daarin eenigen tijd uit, dan wordt het troebel en bewijst, dat
wij in plaats van een deel der ingeademde zuurstof koolzuur
uitademen.
De zuurstof der lucht komt in de longen met het bloed in
aanraking, dat uit het hart door alle deelen van het ligchaam
gestroomd is en eene donkere kleur aangenomen heeft. Gedu-
rende de aanraking met de lucht verkrijgt het weder zijne hel-
der roode kleur; van de 21 deelen zuurstof, die, met 79 deelen
stikstof vermengd, de dampkringslucht vormen, worden er vijf
in het bloed opgenomen, maar daarvoor treden 5 deelen kool-
zuur, die het bloed afgeeft, in de plaats, zoodat men voort-
durend een even groot volume lucht uit- als inademt. Die zuur-
stof wordt bij den omloop des bloeds door de verschillende dee-
len van ons ligchaam weder verbruikt en even veel koolzuur we-
der gevormd, hetwelk bij de ademhaling door zuurstof moet
vervangen worden, zal het dier kunnen blijven voortleven.
Aan den eenen kant wordt door het ademhalen der die-
ren de dampkringslucht van een gedeelte harer zuurstof beroofd,
en toch vindt men overal (§ 244), dat zij steeds de zelfde hoe-
veelheid zuurstof behoudt; er moet dus door het een of ander voor
gezorgd zijn, dat de onttrokkene zuurstof haar weder terug ge-
geven wordt. Ten tweede is het dier volstrekt buiten staat,
om onmiddellijk uit de elementen de zamengestelde stoften te
vormen, die zijn ligchaam uitmaken, en het zou versmachten,
zoo er geene andere bewerktuigde wezens waren, die uit de
elementen de stoffen zamenstellen, uit welke het dierlijke lig-
chaam bestaat; of althans zulke, die, in het dierlijk ligchaam
gebragt, tot dierlijke stoften vervormd kunnen worden. Die
beide bedoelingen worden door het leven der planten vervuld.