Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
458
zich met een ander gas verbinden. Gelijk zij in het leven voor-
komt, is de vlam de plaats hebbende verbinding der
koolwaterstof met de zuurstof der lucht.
Vlam
eener
kaars.
252. De vlam der kaars. Aan eene waskaars steken wij
eerst de pit aan en ontwikkelen daaruit koolwaterstof, zoodat
zij met eene vlam brandt. Door hare warmte worden de was-
deeltjes het naast bij de pit gesmolten, en er vormt zich om de
pit eene met vloeibaar was gevulde holte, terwijl de rand der
kaars langer blijft staan en eerst langzamerhand smelt. Het ge-
smolten was stijgt in de tusschenruimten der uit katoenen dra-
den gedraaide pit als in haarbuisjes op (§ 8 5), komt digter bij
de vlam en wordt door hare hitte in koolstof en waterstof ont-
leed. Beide stoffen verbinden zich met de zuurstof der lucht en
vormen eene grootere vlam, wier warmte groot genoeg is om
ook de volgende wasdeelen in gas om te zetten.
Aan de vlam eener kaars zijn drie deelen te onderscheiden:
1) in het binnenste der vlam eene donkere kern, bestaande uit
niet brandende koolwaterstof. 2) De donkere kern
is rondom door den helder lichtenden licht-
kegel omsloten, en om dezen breidt zich 3) de
naauw merkbare buitenste sluijer der vlam
uit. Tot de donkere kern kan de zuurstof der lucht
niet doordringen; eene geringe hoeveelheid komt in
den middelsten lichtkegel, nog meer in den buiten-
sten sluijer. Terwijl derhalve de binnenste kern der
vlam in 't geheel niet branden kan, heeft ook in
den lichtkegel (no. 2) bij den onvolkomen toegang
der lucht geene volkomene verbranding plaats; de
lichtkegel vonnt eene waterstofvlam, maar de niet
verbrandende kooldeeltjes worden afgescheiden en geraken in
witte gloeihitte. Het gloeijen der fijne kooldeeltjes
in den schijnenden lichtkegel geeft aan de vlam hare lichtkracht.
In den buitensten sluijer (no. 3) eindelijk heeft de zuurstof der
Fig. 232.