Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
Fig. 215.
381
men (lit van eiken instrumentmaker kan bekomen. Men laat een
eind van 2 a 3 palmen vrij en windt het verder om een houten
klosje, van 8 a strepen dikte en 5 a 6 duimen breedte, waarvan
de hoeken afgerond zijn, ook het andere eind wederom ter lengte
van 2 a 3 palmen vrij latende. Dit ^vinden geschiedt zoo, dat
eerst een tiental slagen juist naast elkaar worden gelegd, dan
weder een ander tiental daarover heen enz., totdat aUes opge-
wonden is. Dit gedaan zijnde, schuift men het draad van het
klosje voorzigtiglijk af en bindt de draden in de eene vlakke zijde
van het zoo verkregen draadraampje dadelijk met een zijden
draad aaneen, dien men er in het midden eenige raaien omwik-
kelt. De tweede lange zijde wordt overlangs in tweeën gedeeld,
zoodat er tusschen beide helften eene spleet van 3 a 4 strepen
breed open blijft, die men open
houdt door middel van twee stuk-
jes hout of kurk, boven in de
korte zijden van het raampje
aangebragt. Ter zelfder plaatse
waar men deze heeft ingestoken,
bindt men een zijden draadje
om de koperdraadlagen heen,
waardoor de houtjes vastgehou-
den worden en het geheel stevig-
heid verkrijgt.
Nu neemt men twee naainaalden van middelmatige grootte,
ten minste een halven duim korter dan de binnenlengte van het
draadraampje, vooral beide even groot en even zwaar, bekrach-
tigt ze op de in proef 132fl medegedeelde wijze, en draagt
daarbij zorg, ze beide even veel streken te geven, zoodat ze
zoo veel mogelijk de eene even sterk als de andere worden. Dit
gedaan zijnde, steekt men ze in een stroohalmpje van ongeveer
2 duimen lengte zóó, dat de noordpool van de eene juist boven
I de zuidpool der andere komt te liggen en omgekeerd, gelijk de
i hiernevens geplaatste figuur dit aantoont. Boven in het stroo-