Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
4
Z 1

379
plankje of staafje, van b. v. 1 palm hoogte, 3 duim breedte en 3
dikte, waarin twee gaten zijn geboord, boven elkaar bij A en C,
het eene op 5, het andere op
^'S- 214. 8 duimen hoogte. Door die ga-
ten worden de uiteinden heen-
gestoken , van een omstreeks
4 palmen langen, 1 ä 2 streep
dikken rood- of geelkoperdraad,
nadat deze gebogen is, zoo als
ABC in de figuur dit aanwijst.
Met behulp van kleine ronde
wiggetjes, stukjes lueifer, worden die uiteinden in de gaten vast-
gemaakt. Brengt men nu de aan een standaardje hangende mag-
neetnaald der vorige proef zoo bij den gebogen draad, dat hij
vrij tusschen de beide horizontale deelen daarvan komt te han-
gen — dat hij er tusschen komen kan is gemakkelijk te be-
werken , door aan het bovenste dier deelen in het midden eene
kleine uitbuiging te geven — dan is het apparaat gereed voor
de volgende proeven.
Proef n. Men drukt den positiven geleiddraad van het
element tegen het uiteinde des draads bij A, en den negativen
tegen den draad ergens bij B. Als nu de plaatsen, waar de dra-
den elkaar raken, vooraf goed schoon geschrapt zijn, dan gaat
de positive stroom van A naar B over de naald heen, even
als in de vorige proef, en de noordpool wijkt ook dadelijk naar
het oosten af.
Proef b. Men houde den negativen geleiddraad bij B even
als de vorige proef, maar plaatse den positiven bij C. De stroom
gaat nu in de zelfde rigting onder de naald en deze
wijkt nu in tegenovergestelde rigting, dat is met de
noordpool naar het westen, af.
Proef c. ]\Ien herhale de beide vorige proeven, maar
met verwisseling der plaatsen van de beide g^leiddraden; de
afwijkingen zullen in elk der beide gevallen juist het tegen-