Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
272
Middag-
lijn.
Fis. l.'je.
Afwij-
king
daarvan
Proef. Om tle rigting der magneetnaald naauwkeuriger
te bepalen, moet men eenen meridiaan of middaglijn trekken.
Men teekent op eene iiorizontale vlakte, op eene vensterbank,
oenen cirkel, en rigt in zijn middel-
punt een loodi-egt stokje op. Op
zekeren tijd van den voormiddag
neemt men dan waar, op welke
])laats het einde der door het stokje
bij zonneschijn geworpene schaduw
den cirkelomtrek raakt, en teekent
deze plaats, het punt I, door eene
streep aan. Is dit, bij voorbeeld,
twee uren voor den middag geschied,
dan zal de zon twee uren na den
middag even zoo hoog staan en
eene even lange schaduw van het stokje doen ontstaan; het einde
zijner schaduw zal den cirkel in het punt II raken, dat even-
eens aangeteekend wordt. Op beide tijden was de zon even ver
van den meridiaan verwijderd, en deze haar stand had ten ge-
volge , dat de schaduw van het stokje des voormiddags even zoo
ver naar het westen van de middaglijn afgeweken is, als zij
des namiddags naar het oosten'afweek. De ware, door het mid-
delpunt des cirkels gaande middaglijn moet dus midden tus-
schen de snijpunten van de schaduw en den cirkelomtrek I en
II doorgaan. Men deele den boog tusschen beide punten met
behulp vau een passer midden door en trekke van dit deelpunt
eene regte lijn door het middelpunt van den cirkel. Deze lijn,
die men door ingestokene punten merken kan, is de middag-
lijn voor de plaats van den waarnemer, en treft, wanneer zij
verlengd wordt, den horizon in het noordpunt en zuidiiunt. Men
houde nu eene magneetnaald boven de middaglijn, en de draad,
waaraan zij hangt, bevinde zich loodregt boven een punt dier
lijn. Het blijkt nu, dat de naald geenszins naauwkeurig naar
het noorden wijst, maar hare noordpool w ij k t v a n het