Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
248
neden liggende punten van den magneet trekken liet ijzer we-
der aan , en wel des te sterker, hoe digter zij bij het beneden-
einde liggen; en digt bij het benedeneinde zal men een punt
vinden, dat even zoo sterke aantrekkingskracht toont als het
; ^ boveneinde.
Aan iederen magneet, hetzij een natuurlijke of kunstmag-
I neet, bevinden zich twee punten, die zich door hunne grootere
^ aantrekkingskracht van alle andere onderscheiden; deze twee
[ I punten, in welke de aantrekkingskracht het sterkste is, heeten
de polen van den magneet, en liggen bij eene regte mag-
neetstaaf digt bij hare beide einden. In het midden tusschen
;ii beiden ligt een punt, dat in 't geheel geene aantrekkende
; I kracht toont, en dat men het middel- of nulpunt van den mag-
S, neet zou kunnen noemen.
ï , Proef h. Men legge een magneet in ijzervijlsel en draaije
hem daarin eenige malen om, dan zal hij zich aan de polen
wegens hare sterkere
135. aantrekking met vrij
lange draden van aan
elkander klevende deel-
tjes ijzervijlsel bedek-
ken ; naar het midden
toe worden de draden
korter, en in de nabijheid van het middelpunt is de aantrekking
zoo gering, dat er in 't geheel geen ijzervijlsel aan den mag-
neet hangen blijft. Een dergelijk verschijnsel zal men waarne-
men , wanneer men op den magneet een stuk papier of eene
van onder witgeschilderde dunne glasplaat legt, voorzigtig een
weinig ijzer^^jlsel daarop strooit en het zacht aanstoot. Kiest
men verder een stuk ijzer juist zoo zwaar, dat de magneet het
aan zijne polen draagt, maar geen zwaarder dragen kan, dan
zal het door geene andere plaats van den magneet gedragen
worden.