Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
321.
Waar een droppel de watervlakte treft, ontstaat eene laagte, op
welke een verhoogde wal volgt.
Zoo worden door een in 't water vallenden droppel, een steen
of eene windvlaag golven voortgebragt. Iedere golf bestaat uit
eenen golfberg en een golfdal; de golfberg verheft zich bo-
ven den spiegel van het rustende water, het dal ligt beneden dezen.
De hoogte eener golf wordt van het laagste punt van haar dal
tot den top haars bergs gerekend. Onder de breedte eener golf
moet men de breedte van haren
Fig. 100.
berg en haar dal te zamen geno-
men verstaan, zoodat de breedte
a............'..............^ der geteekende golf zich van het
punt a tot het punt h uitstrekt.
Op- en 99. Op- en nedergaan der waterdeeltjes bij het
der watm" voortgaan der golven. De golven gaan van
deeltjes, ^^^ ontstaan naar alle zijden voort, en het heeft
den schijn alsof de watermassa in voomitgaande beweging was.
Dat dit het geval niet is, leert de volgende proef. Men ver-
wekke bij stil weder, door een steen loodregt op de watervlakte
te laten vallen, golven in een meer of een vijver. Werpt men
nu een stukje kurk of hout op de golven, dan moet de bewo-
gene watermassa daaraan hare beweging mededeelen, doch het
drijvende ligchaam wordt slechts in eene dobberende, op- en
nedergaande, maar niet in eene voortgaande beweging gebragt.
Daaruit volgt, dat de waterdeeltjes bij de golfbeweging geenszins
eene voortgaande, maar eene op- en nedergaande be-
weging hebben. De waarneming der waterdeeltjes, in lange
kisten met glazen wanden met stukjes turf gemengd, heeft verder
geleerd, dat zij bij de golfbeweging in meestal cirkelvormige
banen op- en nedergaan , waarbij de deeltjes, die verder van het
aanvangspunt der golf liggen , hunne beweging later beginnen.
Proef. Om er eene duidelijker voorstelling van te verkrij-
gen , hoe bij eene cirkelvormige beweging der waterdeeltjes de