Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
321.
rig. 98.
I
stralen van het rad rondom op ge-
lijke afstanden van elkander vlakke
plankjes, de velgen, aangebragt
zijn. Het water werkt door zij-
nen stoot onder op het rad
en beweegt de onderste ingedom-
pelde velgen voorwaarts; op hare
plaats treedt de volgende velg en
wordt eveneens verder bewogen.
Het water stroomt in een kanaal,
de molengoot, hetwelk met zij-
nen bodem en zijne zijwanden het rad met de tot zijne bewe-
ging genoegzame speelruimte insluit. Onderslagsraderen bouwt
men bij geringen val en groote hoeveelheid water en geeft hun
eene middellijn van 2 a 3 ellen; hunne werking bereikt ten
hoogste slechts Vio van den arbeid, dien het afstroomende
water volbrengt.
Overslags- b. Het overslags-waterrad. In vele streken, inzonder-
heid in bergachtige landen, heeft men over eene geringe wa-
termassa te beschikken, die van eene hooger gelegene plaats
zich door eene vliet laat aanvoeren en zoo gebruiken, dat zij
door haar gewigt op het bovenste gedeelte van
een waterrad werkt. De omtrek van zulk een overslagsrad be-
vat in plaats van velgen rondom bakken of cellen. Uit de
vliet valt het water in de bovenste cellen en drukt ze neder-
waarts , vult daarop de naaste cellen en geeft daardoor aan de
eene helft van het rad het overwigt. Alle voor den mond der
vliet voorbijgaande cellen vullen zich met water en laten het
eerst digt bij het laagste punt van haren cirkelvormigen weg
weder uitloopen ; daarom zijn bijna alle cellen aan de eene zijde
van het rad steeds met water gevuld, terwijl die aan de an-
dere zijde ledig omhoog gaan. De hoogte, van welke het water
neervalt, bedraagt 3 tot 15 ellen; de middellijn van het rad
wordt bijna even zoo groot genomen, en zijne werking bereikt
rad.