Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
170
Proef. De voor proef a eu d van naalden zamengestel-
Fig. 93. de balans worde met hare as over een
drinkglas gelegd. Aan den eenen arm
van den evenaar hange men door mid-
del van een paardehaar of een fijnen
draad een stukje ijzerdraad of een
spijkertje; aan den anderen arm beves-
tige men eene kurk en schuive die aan
eene plaats waar zij het spijkertje in
evenwigt houdt. Wanneer men dan een met water gevuld klein
glas zoodanig daaronder houdt, dat het spijkertje er geheel
in gedompeld is, dan beweegt het zich opwaarts, en de an-
dere arm der balans verkrijgt het overwigt. Het water tracht
het spijkertje op te heffen, hetwelk er ten deele door wordt ge-
dragen en derhalve niet met zijn geheele gewigt benedenwa arts
drukt.
Daarom zijn de arbeiders bij het bouwen van sluizen
instaat om onder water groote steenen te bewegen, van zulk
een gewigt, dat zij buiten het water, hetwelk ze helpt dragen,
door menschenhanden niet opgetild zouden kunnen worden. Er
zijn nog vele putten, waaraan een wateremmer ledig in het
water neergelaten en vol weder opgetrokken moet worden; bij
sommige hangt hij aan eene stang, bij den in fig, 31 afgebeel-
den put aan het touw van een windas; de Jjcrsonen, die water
scheppen, nemen dagelijks het volgende waar: zoo lang bij
het optrekken de volle emmer zich nog in het water bevindt,
hebben zij zeer weinig kracht aan te wenden, omdat het water
in den put den emmer bijna geheel draagt; zoodra echter de
emmer boven de oppervlakte van het water opgetrokken wordt,
verrast hij door zijn gewigt en vordert eene veel grootere krachts-
inspanning. Zoo gaan ook de visschers met een net met vis-
sehen zoo lang zorgeloos om als het zich nog in het water be-
vindt en de visschen er ten deele door gedragen worden; daaren-
tegen gaan zij bij het ophalen van het net uit de vloeistof zeer