Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
100
heeft eenige openingen, door welke het koren kan vallen en tus-
schen de beide steenen komen; de straal koren, omtrent een
vinger dik, breidt zich tusschen den looper en den grondsteen
in eene dunne laag uit en wordt tot zemelen en meel verbrij-
zeld. Aan den rand der steeuen (§ 60) aangekomen, valt het
gemalene in eene rondom geslotene ruimte en uit deze door eene
opening in het huilwerk. Het huilwerk dient om het meel van
de zemelen af te zonderen en bestaat uit een zak van buildoek,
door welks mazen het meel doorgezift wordt, wanneer men het
huilwerk schudt. Het schudden verrigt de molen echter zelf,
naardien door eene snaar zonder einde van de spil D eene an-
dere spil hare beweging verkrijgt en door middel van eene kruk
met verbindingstang (§ 52) den zak heen en weêr schudt.
In het looperoog valt het koren uit eene trechtervormige kast
K, die den naam van romp draagt, en welker onderste opening
door een schuins geplaatst kastje, den schoen Z, vast geslo-
ten wordt. De spil van den looper is naar boven verlengd en
van eenige staafjes A voorzien; deze stooten bij de omdraai-
jing diensvolgens tegen den schoen en noodzaken de graan-
korrels langzaam in het looperoog neêr te glijden. Wanneer de
romp bijna ledig geworden is, dan geeft eene klok daarvan
aan den molenaar berigt. Van het klokje a leidt namelijk een
snoer eerst naar de pin c en dan over eene katrol in den romp
K; aan het einde van het snoer is een ligt stuk hout gebonden
en bij het inschudden van het koren door den molenaar daar
onder gestoken. Is nu het koren in den romp te veel verminderd,
dan kan dit het hout niet meer tegenhouden ; de pin c zakt naar
beneden en neemt een stand aan, waarin hij door de staaf 5,
die zich aan de spil bevindt, bij iedere omdraaijing aangestooten
en dus de klok geluid wordt.