Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
92
terug gevoerd. Eene aldus
snaar zonder einde.
Fig. 47 a.
geleide
snaar heet eene opene
Wanneer daarente-
gen beide spillen in t e-
genovergestelde
r i g t i n g e n moeten
draaijen en de tweede
zieh links bewegen
moet, terwijl de eerste
naar de regter zijde omloopt, dan wordt de gek ruiste snaar
aangewend , die van de onderste zijde van iedere schijf naar de
bovenste zijde van de andere geleid wordt.
Zijn beide schijven even groot, dan draaijen zij in den zelfden
tijd even veel malen om. Beoogt men nogtans om aan de spil,
welke digter bij het arbeidswerktuig is, eene grootere snelheid
van omdraaijing mede te deelen, dan geeft men haar eene klei-
nere schijf; moet deze zich twee maal draaijen, terwijl de
grootere ééne omdraaijing volbrengt, dan maakt men de mid-
dellijn van de grootste schijf twee maal zoo groot
als die van de kleinste. Daardoor wordt de omtrek van de
grootste schijf insgelijks tweemaal zoo groot. Heeft deze bij voor-
beeld 34 duim in omtrek, dan maakt bij iedere halve om-
draaijing ieder gedeelte van de snaar eenen weg van 12 duim;
de deelen van de snaar, die aan den omtrek van de kleinste
schijf raken, noodzaken ieder zijner punten, een even zoo
grooten weg te doorloopen; nu is een cirkelvormige weg van
12 duim juist even zoo groot als de geheele omtrek van de
kleinste schijf. Deze maakt daarom, terwijl de grootste schijf
eene halve omwenteling volbrengt, één geheelen omgang. Spin-
newielen, spinmachines en slijpmolens toonen een
veelvuldig gebruik van de koord of den riem zonder einde.
In fig. 47 h is eene aanwending van den riem zonder einde
voorgesteld. De hooger liggende spil A C verkrijgt hare bewe-
ging door de krachtmachine en draait te gelijk de kleine schijf,