Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
69
inlioud van liet zwamweefsel is zeer rijk aan stikstof bevat-
tende zelfstandigheden, terwijl het korstmosweefsel daarvan
slechts schraal voorzien is. In zwamweefsel komt geen blad-
groen voor en slechts uiterst zelden eene zetmeelachtige
stof; in dat van korstmossen daarentegen vindt men hier en
daar groene kleurstof, alsmede veel zetmeel. Meestal is het
zwamweefsel zeer slap en ligt vergankelijk; enkele malen
wordt het houtachtig; het korstmosweefsel daarentegen is
taai, duurzamer en kan, wanneer het uitgedroogd is, door
zijne gemakkelijke aantrekking van vochtigheid (welke ook
weder ras verdampt) op nieuw voortgroeijen.
II. Wierweefsel. Ook onder de wieren (*) vindt men,
gelijk reeds vroeger (bl. 65) is opgemerkt, gewassen, welke
slechts nit eene enkele cel bestaan. In den wand daarvan
wordt door jodium-oplossing en zwavelzuur ook geene blaauwe
verkleuring te weeg gebragt. Bij de uit meer cellen bestaande
geschiedt dit daarentegen schier altijd. Het zijn rondachtige
of meer langwerpige, buis- of draadvormige,
soms ook dooreengewai'de cellen, van allerlei
grootte, éëne of meer met elkander vereenigde
lagen vormende. Veeltijds bevat het groene
kleurstof. Soms vindt men in de cellen van
het wierweefsel verdikkingslagen en stip-
pelkanalen. Zijne consistentie kan slijmachtig,
II. Wierweafsel. geleiachtig, lederachtig, kraakbeenig, ja zelfs
zeer hard zijn. Het leder- en kraakbeenachtige neemt ook
gretig water op, waardoor het opzwelt (t), doch groeit als-
dan niet weder op nieuw voort, zoo als korstmosweefsel.
III. Parenchym. Het is de meest verspreide weefselsoort
en bestaat uit cellen van zeer verschillenden vorm en bouw.
Geene plant of geen plantendeel zelfs is er, waarin niet
tijdelijk of duurzaam parenchym voorkomt. Zelfs de reeds be-
71. Van een wier, Asperocóccus bullösus genaamd.
(•) Algae.
(t) Dit kan b. v. blijken, wanneer men een stukje van liet welbekende lersche
mos (Sphaerocóecui crispus) in water legt. Deze plant wordt ten onregte »tnos" ge-
naamd, daar zü tot de wieren behoort. — Het zoogenaamde IJslandsche mos
(Cetrdria isldndica) behoort evenmin tot de imossen"; het is namelijk een korst-
mos. Ter loops zy hier opgemerkt, dat de benaming van «mossen, bladmossen en
loofmossen" op dezelfde plantengroep wordt toegepast, doch dat de namen «korst-
mossen" en ilevermossen" twee daarvan verschillende groepen aanduiden.