Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
63
dochterjcellon ontstaan ten koste van den geheelen inhoud
der eersten ; men noemt dit cel v orming doo r deeling. In
beide gevallen ontstaat de kern het
eerst; daaromheen plooit zich
dan eene plasmalaag en ten laat-
ste wordt de buitenste uit cel- ^
lulose bestaande celwand hier
63. Beginnecde cel- rondom afgezet. Gewoonlijk ont- 64. Bpa
staan er geheel nieuwe kernen; celfomins.
somwijlen wordt eene reeds voorhandene celkern in 2, 3
of 4 kernen gesplitst, waarvan ieder den aanleg voor eene
dochtercel levert. Er kunnen zelfs 6 en meer kernen ge-
vormd worden. Enkele malen eindelijk meent men, dat
3°. niet alleen de inhoud, maar bovendien de buitenste cel-
wand in meerdere deelen gesplitst wordt, zoodat de dochter-
cellen alsdan door inplooijing en afsnoering uit de moeder-
cellen met hare wanden geboren worden. — Bij de vrije
celvorming blijven de moedercellen bestaan en kunnen zich
zelfs nog vergrooten; bij celvorming door deeling verdwijnen
langzamerhand de buitenste wanden der moedercellen; bij
die door afsnoering neemt elk afgesnoerd gedeelte nog in
grootte toe.
Onder groei eener cel verstaat men niet alleen de zoo
even geschetste vermeerdering, maar meer in 't bijzonder de
toename van haren omvang, die nog eenigen tijd na haar
ontstaan voortduurt, en de boven beschrevene verdikking
van den wand. Heeft die verdikking korten tijd plaats ge-
had, dan houdt bereids^ de vergrooting van den omvang op.
De vorm der cellen hangt gedeeltelijk van dit laatste af.
Zoo lang immers de inwendige afzetting van nieuwe lagen
nog niet tot dien graad geklommen is, dat het doordringen
van vocht tot in den buitensten celwand belet wordt, be-
staat er nog mogelijkheid, dat deze verder in omvang toe-
neemt. Intusschen wordt deze vergrooting meermalen door
de naast aanliggende cellen belemmerd, zoodat ook deze
63. Stnifmeelcellen van de stokroos (Allhaéa rósta). Vier celkernen hebien zich
in de moedercel gevormd, waaromheen zich de plasma-massa verdeelt.
64. Dezelfden, in een later tijdperk, waarin zich o.tj iedere kern cn plasmalaag
reeds een celstofwand gevormd heeft.