Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
62
Ten gevolge eener scheikundige omzetting vormt de vlieslaag
zelve regtstreeks den buitensten wand der cel of wel de verdik-
kingslagen. Na afzetting van elke verdikkingslaag ontstaat dan
rondom de korrellaag weder eene nieuwe vlieslaag, die weder in
eene verdikkingslaagkan veranderen, en dit gaat zoo lang voort,
als er nieuwe verdikkingslagen tegen den wand worden afgezet.
Neemt men deze onmiddellijke verandering van een gedeelte van
het plasma in celv/and en verdikkingslagen aan, dan is er ook
van eene doorzweeting daarvan door een bijzonder vlies geen
sprake meer.
Elindelijk behoort nog de celkern tot den inhoud van zeer
jeugdige cellen, zijnde een klein, rondachtig of ovaal, meestal
lensvormig ligchaampje, hetwelk gewoonlijk
inwendig één of meer kleinere bolletjes bevat.
Of zij een eigen vliesje, dan wel eene gelei-
achtige laag als omhulsel bezit, is nog niet
beslist. Zij ontstaat óf zelfstandig en regtstreeks
uit het plasma, óf door splitsing van eene reeds
bestaande celkern, doch altijd vroeger dan de
celwand. In den beginne ligt zij meestal in
2. Cellen met brnen. het midden der cel, doch later wordt zij meer
zijwaarts naar den wand verschoven, doch blijft daarbij altijd
in aanraking met het plasma, bij welks stroomende beweging
zij meermalen tot punt van uit- en teruggang strekt en waar-
mede zij ook in scheikundige zamenstelling schijnt overeen
te komen. In oudere cellen wordt zij steeds kleiner en ver-
dwijnt zij ten laatste.
Het ontstaan van nieuwe cellen geschiedt (behalve bij
de eerste cellen dier plantjes, welke zelfstandig als holle
blaasjes in gistende vloeistoffen gevormd worden) altijd bin-
nen in reeds voorhandene cellen. Deze laatsten noemt men
alsdan moeder-, en de jonger gevormde dochtercellen.
Hierbij kan een der volgende gevallen voorkomen: 1°. of er
ontstaan binnen in de (moeder)cellen nieuwe (dochter)cellen,
ten koste van een gedeelte van den inhoud der eersten;
men noemt dit vrije cel vorming; hoewel vrij dikwijls,
komt zij echter niet zoo veelvuldig voor als de andere, daarin
namelijk bestaande, dat er 2". binnen in de (mooder)cellen
iil. Ovei-laiigsclie doorsnede uit liet weefsel cener Lelie (/.(Hum).