Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
maar zich uitstrekte tot het door hein zeiven gegevene
voorbeeld, daar hij langen tijd een der voornaamste bear-
beiders van dit gedeelte der plantkunde geweest is.
Die algemeene grondslag nu, waarop het maaksel van
alle gewassen berust, draagt den naam van „cel," en daar-
mede is het zoo gelegen, dat niet alleen eene cel de eerste
aanleg is, waaruit elke plant on t s taat, maar dat met de ver-
vorming, met de vermeerdering, — kortom met de menigte wij-
zigingen, welke de plantencellen ondergaan, het geheele
bestaan der planten verbonden is. Het is dan ook van het
meeste gewigt voor een goed begrip van al wat verder tot
de plantkunde behoort, dat men zich met de ontleedkunde
der planten, d. i. met de leer van de cel in den ruimsten
zin , zoo vertrouwd mogelijk make. Tot de kennis van
de onleedkundige zamenstelling der gewassen geraakt men
allëén door mikroskopische studiën, en ofschoon tlians niet
meer gelden kan, wat men vóór een twintigtal jaren nog
met alle regt beweren kon : „dat het moeite kostte om bij
onderzoek van planten door het mikroskoop niets nieuws te
ontdekken ," is er intusschen nog veel ter navorsching over-
gebleven. Zoo verschilt dan ook de ontleedkunde tegen-
woordig reeds aanmerkelijk van haren vroegeren staat en is
het dan ook te verwachten, dat zij van lieverlede door nieuwe
ontdekkingen ook nog later in menig opzigt veranderen zal.
Voor den aanvangenden beoefenaar is er intusschen reeds
genoeg te doen, wanneer hij zich, zoo veel hij daartoe in
staat is, van het thans bekende door eigen onderzoek wil
overtuigen.
De verschillende eigenschappen de plantencel op zich zel-
ve — zonder zamenhang met andere cellen — kunnen het
ligtst waargenomen worden bij die planten, welke slechts uit
eene enkele cel bestaan. Zoo b. v. bij de zoogenaamde een-
cellige wieren, die men o. a, in al onze zoete wateren aan-
treft en waarvan soms vele individu's door eene slijmachtige
stof met elkander verbonden zijn tot groene, gele, roode, bruine of
zwartachtige massa's, die gewoonlijk als geleiachtige, glibberige
vlokken op andere voorwerjien zijn vastgehecht. (*) Men behoeft
(*) In het voortreffelijke werkje van Hartiso : De macjt van /irt i-ieine. Utrecht
1S19, bl. 122, enz. vindt men veel merkwaardigs dienaangaaude opgeteekend.