Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
bruik (b. v. morphine, strychininc, ehinine, coniinc, nico-
tine, (*) enz.). In water zijn zij gewoonlijk moeijelijk oplos-
baar; daarentegen gemakkelijker in wijngeest, enz. Er zijn
meestal scheikundige bewerkingen noodig, om ze te ontdekken
of te herkennen; zoo lang zij zich nog in de levende planten
bevinden, leveren zij voor mikroskopisch onderzoek nagenoeg
geene kenmerken op.
Eindelijk worden nog bij scheikundige ontleding van ver-
scheidene planten zoogenaamde bittere extractiefstoffen
aangetroffen, die in zamenstelling en eigenschappen vaak van
elkander verschillen en zich hoofdzakelijk kenmerken door
haren bitteren smaak en indifferenten staat (d. i. dat zij noch
tot de zuren, noch tot de alkaloiden behooren). Vele daar-
van zijn in water, alle echter in alkohol oplosbaar. (Men
vindt ze b. v. in hop, quassia, kalmus, aloë, enz.)
Eenige der opgesomde stoffen komen nagenoeg in alle plan-
ten voor; andere slechts in bepaalde groepen van planten of
zelfs alleen in enkele gewassen. Er bestaat ongetwijfeld tus-
schen het optreden der scheikundige bestanddeelen en den
eigenlijken bouw der planten een zeker verband, of liever
eene wederkeerige afhankelijkheid. Een dieper inzigt daarin,
dat tot eenige opheldering daarvan leiden kon, is voorshands
onmogelijk. Waarom in deze of gene groep of plant immer
melksap, of harsen, of vlugge oliën, of iets anders ontstaat,
wat in anders gevormde planten niet voorkomt, is onver-
klaarbaar; ook het omgekeerde: waarom namelijk de eene
plant zooveel meer ijzer, of kiezelaarde, of kalk enz. behoeft,
om haar weefsel op te bouwen, dan eene andere, waarin zulk
eene stof of veel minder, of in 't geheel niet noodig is, of
wel door eene geheel andere vervangen wordt. Dit en nog
zoo veel meer behoort tot de verborgenheden in de natuur,
waarop echter zóó lang de onderzoekende geest, als op zoo
vele onopgeloste vraagstukken, zal blyven staren, tot dat
(*) Coniine (In de gevlekte scheerling) en nicotine (in tabak voorhanden) z^'n de
eenige, die men ala vloeibare en vlugtige alkaloiden kenti al ds overige zyn voste
stuffen.