Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
Zoogenaamde planten gelei is vermoedelijk een overgangs-
vorm van andere stoifen.
Suiker komt zeer verspreid in het plantenrijk voor, en
wel in verschillende vormen, zoo als: rietsuiker, druiven-
suiker, vrucht- of slijmsuiker (glucose), enz. Zij zelve schijnt
uit de omzetting van andere stoffen (met name uit zetmeel)
te ontstaan, en zoo ook rietsuiker ligtelijk in de andere
snikersoorten te kunnen veranderen. Ieder daarvan heeft
echter hare bijzondere onderscheidings-kenmerken. Zoo is o. a.
rietsuiker geheel, druivensuiker slechts onduidelijk en vrucht-
suiker in 't geheel niet kristalliseerbaar; de eerste en laatste
zijn in water oplosbaar, de andere minder; eindelijk is drui-
vensuiker het minst zoet, en rietsuiker het zoetst. Suiker komt
in den regel als eene in het water der plantensappen opge-
loste stof voor, slechts zeer zelden in kristalvorm. Hare aanwe-
zigheid is daarom door het mikroskoop niet anders te ontdek-
ken, dan door de rozenroode verkleuring, welke iedere suiker
bevattende vloeistof ondergaat, wanneer zij, bij gelijktijdige
aanwezigheid eener stikstof houdende zelfstandigheid, met zwa-
velzuur in aanraking wordt gebragt. — Mannite is eene
zoete, doch voor gisting onvatbare suikersoort, in sommige
esschenboomen, enz. voorkomende.
Proteïne- of eiwitachtige stoffen zijn in alle plan-
ten voorhanden en dragen het wezenlijkst tot de voedings-
waarde dier gewassen of plantendeelen bij, welke men tot
eetwaren pleegt te bereiden. Men onderscheidt daarvan voor-
namelijk drie vormen: planten-eiwit (albumine), plan ten-
lij m (fibrine) en p 1 an t en-k aass tof (caseïne of legumine);
de beide eersten komen in de plantensappen voor; het tweede
vooral in de vruchten der graansoorten en het laatste inzon-
derheid in de zaden der peulvruchten. In sterke loogen zijn
zij allen oplosbaar, eenige slechts in water, andere niet;
door alkohol en aether worden zij niet opgelost, door jodium-
oplossing en zwavelzuur worden zij goudgeel gekleurd ; alleen
jodium-oplossing, alsmede salpeterzuur en ammonia kleuren
haar hooggeel of bruin; zoutzuur na eenigen tijd paars;
suiker en zwavelzuur, gelijk ook eene oplossing van sal{)e-
terzuur kwikoxyde („millon's zout") spoedig fraai rozenrood.
Er bestaan dus bij het mikroskopisch onderzoek genoeg her-