Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
schappen toeschreef, en men daarvan zelfs een familiegeheim
maakte, dat bij mondelinge overlevering van den vader op
den zoon overging, pleegden die verzamelaars van zulke
planten allerlei geheimzinnige avonturen te verdichten, om
anderen, die zij niet gaarne in hun winstgevend bedrijf wil-
den doen deelen, van zoodanigen arbeid af te schrikken.
Allerlei kwakzalverskunstjes werden door de wortelsnijders uit-
gedacht, om bij oningewijden het denkbeeld te vestigen, dat
zij met buitengewone vermogens waren toegerust tot afwering
van allerlei gevaren, die den kruidenzamelaar telkens be-
dreigden. Tegenwoordig wordt de inzameling van in 't wild
groeijende geneeskrachtige planten, ten behoeve der apotïiekers
en droogisten, gewoonlijk aan min gegoede lieden opge-
dragen, wier kennis van planten zich in den regel ook niet
verder uitstrekt dan in de onderscheiding van hare gedaante.
Hij, die thans op wetenschappelijke wijze botaniseert, vraagt
er echter niet naar, of de plant, die hij ontmoet, voor ge-
neeskunde, industrie, enz. van waarde is. Het eenvoudige
grashalmpje op den bodem, het nederige mos op boomschor-
sen, muren, zelfs op daken genesteld, de onoogelijkste zwam-
men op puinhoopen, het kroos en flab der slooten, in dén
woord, alle kinderen van Flora, zij zijn hem even lief en
welkom als de slanke den, de statige eik, de forsche beuk,
enz. Van allen verzamelt hij een gedeelte — na ze van
onreine aanhangsels te hebben ontdaan, — in de blikken,
cylindervormige bus, met eene eenvoudige sluiting voor-
zien, welke hem met een riem over den schouder hangt, en
waarin hij van de kleinere planten liefst geheele exemplaren
en wel in bloeijenden toestand, en van grootere eenige afge-
snedene takken bergt, om ze te huis zoo spoedig mogelijk in
behoorlijke orde te rangschikken en te bewaren. Menigeen
die aanvangt botanische uitstapjes te maken, brengt, in
zijne onervarenheid, dikwerf geheele hoopen van allerlei
rijp en groen dooreen naar huis en verbeeldt zich zelfs dan
nog niet eens ijverig genoeg te hebben bijeengeraapt. Maar
als hij nu in dien hoop eenige orde wil brengen, komt
hij spoedig tot de overtuiging, dat botaniseren geen maaijen
moet zijn. Ieder zal dan ook door eigene ondervinding leeren,
dat men in den beginne reeds handen vol werk heeft, wan-