Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
vermorselen, dat men gruis of stof overhoudt, maar die
splitsing geschiedt naar zekere regelen, met een goed snijdend
werktuig, en de grens van verdeeling is zeker voorwerp, cel
genaamd, waarover later meer. Bij zeer kleine en doorschij-
nende plantjes of plantendeelen is zoodanige werktuigelijke
splitsing overbodig. Men tracht nu bij de beschouwing door
het mikroskoop alles te overzien, wat slechts voor onderschei-
ding door het aldus gewapende oog vatbaar is, en behalve
van het m aak s e 1 der zoo bezigtigde voorwerpen, poogt
men zich ook kennis te verschaffen van de wijze waarop
die voorwerpen gaandeweg zoodanig maaksel verkregen
hebben; men noemt dit laatste de ontwikkelingswij ze.
Eindelijk bedient men zich nog van zekere vloeistoffen, rea-
gentiën of herkennings -middelen genaamd, waar-
mede men, gedurende de bezigtiging door het mikroskoop, de
voorwerpen bevochtigt, en uit de veranderingen in kleur, enz.
(deze veranderingen noemt men reactien) hierdoor in die
voorwerpen ontstaan, geeft men zich ook rekenschap van
hunne scheikundige zamenstelling.
Om te begrijpen, hoe het komt, dat men door een mikro-
skoop voorwerpen zoo veel grooter en duidelijker ziet dan
met het bloote oog, dient men vertrouwd te zijn met dat, wat
men op natuurkundig gebied de optica of gezigtsleer noemt
en ook de werktuigelijke ini'igting en zamenstelling van dit
instrument te kennen. Ik zoude de grenzen van dit hoofdstuk
te ver overschrijden, wanneer ik daarover zoo uitvoerig, als
dit voor een juist begrip wel noodig is, zoude uitweiden.
Slechts voor eenige zeer korte mededeelingen, daarmede in
verband staande, kan ik hier eene plaats inruimen.
Kleine, voor het bloote oog zigtbare, goed verlichte voor-
werpen kan men alleen regt duidelijk zien, wanneer zij zich
op zekeren afstand van het oog bevinden; zij moeten er niet
al te digt bij komen en er ook niet te ver van verwijderd
zijn, zal de duidelijke zigtbaarheid niet vermindiïren. Gemid-
deld schijnt die gezigtsafstand (zoo noemt men den afstand
van het duidelijk zien) ongeveer 10 duim te bedragen (bij
verzigtigen is hij grooter, bij korlzigtigen kleiner). Brengt
men een voorwerp digter bij het oog, dan zien wij het wel
minder duidelijk, doch grooter. Om nu dien afstand zoo gering