Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
378
zaden bepalen wij zelven — bij het zaaijen — de plaatsen,
V/aar wij hunne kieming verwachten. De zaad-versprei-
ding langs natuurlijken weg wordt echter ook door allerlei
invloeden bevorderd. De snelheid, waarmede zij geschiedt,
kan afhangen van den bouw der vruchten (al- of niet regel-
matig openspringende, z. b. bl. 311), van haren omvang, de
dikte van het vruchtbekleedsel, enz., maar vooral ook van
het maaksel der zaden, en met name van de zaadhuid. Som-
mige aanhangsels van vruchtbekleedsel of zaadhuid (*) geven
vooral aan luchtstroomen gelegenheid tot spoedige en verre
zaad-verspreiding. Behalve door wind, worden de zaden dik-
werf ver van de standplaats hunner moederplanten verspreid
door vogels of andere dieren, aan wier vederen of vacht zij
bleven vasthangen of die ze weder onverteerd door den bek
uitwerpen of met hare drekstoffen ontlasten. Wijders verplaat-
sen regenbuijen, stroomende wateren, enz. de daardoor meê-
gevoerde vruchten of zaden dikwijls naar andere, niet zelden
ver afgelegene streken. Eindelijk rigt en bevordert de mensch
onwillekeurig door reistogten, handelsverkeer, enz. de zaadver-
spreiding in hooge mate.
Bij vele planten komt de bloem- en vrucht vorming reeds in
het eerste jaar van haar ontstaan voor. Na de zaad-versprei-
ding en dikwijls reeds na het afvallen der vruchten volgt er
dan een blijvende stilstand in de verschijnselen van groei en
vermeerdering; van lieverlede namelijk vei-welken, verdroogen
of vallen er deelen af (»sterven" zij) en eindelijk noemt men
ze geheel dood, wanneer nergens meer de mogelijkheid tot
de vorming van nieuwe cellen en derhalve van nieuwe dee-
len bestaat.
Bij andere gewassen geschiedt dit in het tweede jaar na
haar ontstaan. — Kunstmatig heeft men (b. v. door het tel-
kens afsnijden der bloemknoppen) geleerd, dit bij sommige
zich namelijk zekere galwespeii bevinden, die door hare steken in de vruchten den
aandrang en de bewerking van het sap zoo zeer versneUen, dat men van éénen
boom jaarlijks tweemalen oogsten kan,
(•) Z. b. flg. 3«3 O, 421 A en B, 4-2S C en D, 443 U en 448 A