Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
F
877
img een vrnchtbe-
kleedsel en zaden ont-
wikkelen; de laatsten
bevatten alsdan echter
ffeene kieno/en en kun-
nen dus niet tot ver-
meerdering der plan-
ten bijdragen.
Korter of langer na-
dat de bestuiving ge-
schied is, volgt de be-
vruchting, welk tijd-
verloop bij de verschil-
lende planten 1 en
meer dagen, maanden,
463. IQ twijfel getrokkene bevrucliliog. .^ele co-
niferen) 1 jaar bedragen kan. Hierna ontwikkelen zich de
vruchten (Iloofdst. XVI) en eerst dan bestaat er gelegenheid
tot vermeerdering door zaden, wanneer deze zich met de in
hen bevatte kiemen in omstandigheden bevinden, welke voor
de kieming gunstig zijn (z. b. bl. 346). Het tijdsbestek tus-
schen de bevruchting en de volkomene rijpheid der vruch-
ten is bij de onderscheidene planten zeer verschillend. Tot
de rijping der vrucht dragen warmte- en vochtigheidsgraad
der dampkringslucht vooral het hunne bij. Somtijds zijn daarbij
geheel bijzondere invloeden ''zoo als insekt-steken, enz.) werk-
zaam (*). Bij de kunstmatige vermeerdering der planten door
463. Een takje van Coelehógyne Üicifólia, — de plant, waarbij het ontstaan van kiemen
het moeijelijkst verklaarbaar was. — Aan h. karstex {Da.s Gfschlechisleben der Pflanzen
und die Parthenogenesis, Berlin 1860 en Äo/. .Ze//, 14 Dee. 1860) komt de eer toedien-
aangaande allen twijfel te hebben opgeheven. De levende exemplaren in Europa van
deze uit Nieuw-Holland afkomstige plant wierden zeer lang beschouwd als uitsluitend
van vrouwelijke bloemen te zijn voorzien, terwijl zy desniettemin telken jare voor
kieming vatbare zaden voortbragten. KARSTEif vond echter, dat onder elke 5 dier
bloemen 1 tweeslachtige, namelijk met éénen, somtijds met twee meeldraden voorzien,
voorkomt. Hij heeft wijders de daarbij plaats grijpende bevruchting duidelijk waarge-
nomen en afgebeeld. — Voor andere planten (hennep, bingelkruid, spinazie, kom-
kommergewassen, enz.), waarbij men evenzeer eene kiemvorming zonJer invloed van
stuifmeel veronderstelde, is dit door den kundigen plantenkweeker begel afdoende
bestreden, als steunende op minder naauwkenrige waarneming.— Nergens ont-
staat eene kiem, zonder medewerking van stuifmeel.
(•) O, a, versnelt men zoo op de Griek'iche eilanden de vruchtrijping der tamme
vijgenboomen, door daaraan takken van den wilden vygenboom te hechten, waarop