Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
375
bestiiiving. Tijdens het neêrvallen van regen of het beslagen
zijn met dauw, heeft zij bij de landplanten niet plaats. Op
zeer verschillende wijzen zijn dan ook bij de waterplanten de
voortplantingsdeelcn ten tijde der bestuiving tegen de inwer-
king van vocht beveiligd, doordien b. v. de bloemstelen met
hunne bloemen tot boven de oppervlakte van het water uit-
groeijen of doordien zij onder water met een blad omplooid
en daardoor met eene luchtlaag omringd zijn, enz.
Langs kunstmatigen weg is men vaak de bestuiving te
gemoet gekomen; zoo b. v. reeds sinds zeer langen tijd door
boven de vrouwelijke bioeiwijzen van zekere planten (met
name van dadelpalmen) de afgesnedene takken met dc man-
nelijke bioeiwijzen van gelijksoortige planten op te hangen;
door met behulp van een penseel of ander voorwerp den
overgang van het stuifmeel op de stempelvlakte te bewerken,
waar dit anders door insekten geschiedt (b. v. bij orchideën,
waartoe ook de vanielje behoort, waarvan men op die wijze
in onze broeikassen vruchten verkrijgen kan), enz. Zelfs is
het kunstmatig overbrengen van het stuifmeel van de eene
plant op den stempel eener andere zeer naauw met haar
verwante plant, eene der gcwigtigste bemoeijingen der bloem-
ken en tot boven de oppervlakte van het water verheffen, terwijl de mannelijke door een
scheedevormig blad omhuld zijn en, volgens sommigen, onder het water het stuifmeel
ontlasten, hetwelk nu, op het water drijvende, met de vrouwelijke bloemen in aanra-
king komt, of, volgens anderen, vtfdr het openen, geheel van de planten losraken en
op het water naar de vrouwelijke bloemen worden toegevoerd. Na de bestuiving
krullen zich de spiralen weder in en rypen de vruchten onder de oppervlakte van
het water. Van eene in Oost-Indië levende plant — Serptcula —is dit laatste als zeker
aan te nemen j vddr het ontluiken raken de mannelijke bloemen los en drijven zoo-
lang op de kelken boven op het water, tot dat zij o. a. de vrouwelijke bloemen naderen.
Bij hel blaaskruid (Ulrlculdria, z. b. bl. 175) verheft zich ten tijde der bestuiving
de geheele plant door middel van aanhangende luchtblaasjes boven het water, om
daarna weder onder te duiken. De waternoot {Trapa ndlans), oo}£. Pontedériacrdssipea
doen hetzelfde door met lucht gevulde bladstelen. Zoo stijgt ook het ruiterkruid
{Stratióles alóides) geheel en al in den bloeitijd tot op het water. Bij eene andere
plant — Aldroviinda — worden de bloemstelen door eigenaardige met lucht gevulde
aanhangsels losgerukt en drijven dan op de oppervlakte van het water rond, alwaar
zij bloeijen en vruchten vormen. Bij andere waterplanten eindelijk, b. v. bij het zeegras
{Zosléra), bij het hoornblad {VératophyUum), ook bij onze Ndjas-, Zdnnichellia-, Htippia-
soorten, bij vele water-ranonkels (.Öa/m'/awm-soorten), enz. zijn de bloemknoppen vJdr
hunne opening met lucht gevuld, te welker tyde de bestuiving plaats heeft; eerst
daarna openen zij zich.
Bij de spore-planten schijnt daarentegen het water voor de bevruchting onmisbaar
te zijn; althans blijkt de regentijd daarvoor het gunstigst te zyn en wordt ook het
water als de bemiddelende invloed beschouwd, waardoor de zwerm cel let jes uit dc
antheridiën in de archegoniën kunnei^ indringen.