Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
369
«
rende groepen op verschillende wijzen voorzien is in de mo-
gelijkheid, dat van éëne plant meerdere met haar overeen-
komstige kunnen ontstaan en dat nu en dan in dezelfde groo-
tere of kleinere groep, ja zelfs somwijlen bij dezelfde plant
meer wijzen van vermenigvuldiging voorkomen (*). Zoo
bleek het o. a., dat sommige, met name ëëncellige gewassen
zich verdeden ioor afsnoering (bl. 209 en 212); terwijl bij
andere planten enkele cellen of stukken uit haar weefsel los-
raken (bl. 214, 219, 222 en 225), waarna de gescheidene
deelen verder voortgroeijen (t). Bovendien wordt hier en daar
eene geheel eigenaardige celverbinding waargenomen, waar-
door de aanleg voor eene nieuwe plant ontstaat (bl. 212 en
213). Voorts is de vermeerdering mogelijk door broeicellen
(bl. 209 en 214 f^J), of door op bepaalde plaatsen ontstane
knopvormige celgroepjes (bl. 201, 222, 225 en 229), of door
in beweging verkeerende cellen (bl. 215), al welke vormingen,
zoodra zij zelfstandig geworden en aan de voor haren groei
gunstige uitwendige invloeden blootgesteld zijn , zich tot
planten uitbreiden, overeenkomstig met die, waarvan zij af
stamden.
Als ëéne der voorwaarden bij de vermeerdering door be-
middeling van sporen, kan, behoudens voor enkele groepen,
waarvoor dit nog niet als geheel zeker mag worden aange-
nomen (z. b. bl. 208 en 212), over *t algemeen het noodza-
kelijk zamentreffon van tweederlei onderscheidene deelen gel-
den. Zoo heeft dit plaats tusschen ëëncellige sporen en op
dezelfde plant gevormde andere celletjes (bl. 216); wijders
tusschen sporen en andere celletjes, op dezelfde of op bijzon-
dere planten gevormd, en wel beiden als inhoud van meer-
cellige ligchamen (bl. 217—224). Na losraking van de moe-
derplant kunnen zich nu in die gevallen de sporen tot hier-
(*) De woorden „vermeerdering," „vermenigvuldiging" en „voortplanting" worden
vaak in dezelfde beteekenis gebezigd. Sommigen gebruiken echter bij voorkeur het eerste
(of spreken van „onregelmatige voortplanting," hoewel daarbij niets onregelma-
tigs geschiedt), wanneer zij eene wyze van vermenigvuldiging bedoelen, waarbij niet
het zamentreften van tweederlei onderscheidene (geslachts-)deelen voorkomt. In te-
genstelling hiermede spreken zij van „voortplanting" (of wel van „regelmatige voort-
planting"), ter aanduiding eener wijze van vermenigvuldiging, welke niet zonder
zamenwerking van zoodanige deelen tot stand kan komen.
(+) Ook by sommige korstmossen.
(O Ook bij kranswieren.
24