Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
368
dien opzigte als landplanten vertoonen, waarbij zij echter
meer stikstof zouden opnemen en uitscheiden dan de laatsten.
Wat bewerk en de voeding Stoffe n voor de planten?
Hare instandhouding en haren groei. Bij de onderschei-
dene planten en plantendeelen zijn deze van zeer verschillen-
den duur. Waar de sapbeweging, de voeding en mitsdien de
groei voor immer hebben opgeliouden, worden bij dat deel of
bij die plant geene verschijnselen meer waargenomen, waar-
door men gewoon is, ze als levende te erkennen. Het einde
van dit bestaan kenmerkt zich het duidelijkst door de staking
van den groei; voor zoo ver dit plantendeelen geldt, houden
zij op, zich te vergrooten; wat geheele planten betreft, zoo
vormen zich geene nieuwe deelen daaraan. Zoo zijn er plan-
ten, die slechts éénen dag, andere, die een jaar en langer,
ja zelfs sommige, die zoo lang kunnen bestaan blijven, dat
haar ouderdom met duizendtallen van jaren berekend moet
worden.
De groei gaat niet steeds bij dezelfde plant onafgebroken
voort; de invloed der wisseling van dag en nacht, jaargetij-
den en jaren is daarbij veel beteekenend en geeft tot belang-
rijke verschillen in de meerdere of mindere snelheid van den
groei, als ook met betrekking tot den aard der zich ontwik-
kelende deelen aanleiding.
Behalve door toevallige nadeelige inwerkingen (b.v. hevige
vorst, uitwendig aangebragt geweld, door storm, hagel, enz.),
schijnt ook veler bestaan door zekeren aanleg tot eenen be-
paalden tijd te zijn beperkt (met name dat van één- en twee-
jarige gewassen). Vele boomvormige planten daarentegen schij-
nen, onder gunstige omstandigheden, steeds ouder te kunnen
worden. Door allerlei verschillende oorzaken is echter het
uitsterven van het plantenrijk voorkomen en met name hangt
dit, voor zoo ver het de planten zelve betreft, van de on-
derscheidene wijzen af, waarop zij zich vermeerderen kunnen.
B. Vermeerdering.
Uit het vroeger (Hoofdst. XI) geleverde overzigt van de
deelen, van welke de vermeerdering der spore-planten afhangt,
hebt gij geleerd, dat er in de onderscheidene hiertoe behoo-