Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
363
langwerpige cellen (z. b. bl. 142) en wijders de bij alle ove-
rige planten voorkomende jeugdige vaatbundels eene hoofd-
rigting voor den sapstroom af. Hun loop en hunne vertakking
door de stengels, stengelbladeren, enz. bepalen die rigting,
welke men zou kunnen noemen die van het opklimmende salp.
Men vergete echter niet, dat met elke indringing van vloei-
stof in eene cel eene uittreding gepaard moet gaan, zoodat,
waar dat sap (zoo zullen wij kortweg de door de cellen heen
zich bewegende vloeistof noemen,) opklimt, noodzakelijk te
gelijker tijd, zij het dan met geringere snelheid, o. a. eene
nederdaling door dezelfde cellenrij heen moet plaats grijpen.
Evenzeer behoeft niet ééne cel slechts in ééne rigting met
sap te worden doordrongen, maar kan dit van meerdere zij-
den geschieden; zoo behoeft dan ook niet de uittreding van
sap slechts op ééne enkele plek daarvan te geschieden. Waar
meer cellen nabij elkander liggen, kan dus eene alzijdige in-
en uittreding voorkomen. Dit kan derhalve aanleiding geven
tot eene sapbeweging in zeer verschillende rigtingen, afhan-
kelijk van de plaatsen, waar zich de tot doortogt van het
sap geschikte cellen bevinden. Waar het opklimmen van eenen
sapstroom sterk in 't oog loopt, kan gelijktijdig en ter
zelfder plaatse eene verspreiding van het sap naar andere
rigtingen bestaan.
Overal, waar bouw, inhoud
en wijze van zamenhang der
cellen daartoe de gelegenheid
aanbieden, kan het sap zich
verspreiden, dus ook daar, waar
zich in de onmiddellijke nabij-
heid geen zoogenaamd »opklim-
mend sap" bevindt. De laatste
benaming kan behouden blijven,
omdat zij eene hoofdrigting aan-
duidt, waarin de door de wor-
tels uit den bodem opgenomene
en reeds terstond na haar in-
dringen veranderde vloeistof zich
468. ProsTen omtrent sapbewfjicg.
458. A. Het onderste gedeelte van een in Februarij afgesneden sterken wilgentak,
die, in water geplaatst, van lieverlede bijwortels en bladeren vormt. Dat gedeelte,