Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
360
gen. — Eindelijk kan men ook eene reeks van bloemen tot
eene soort van weêrwijzer inrigten, daar er b. v. sommige
zijn, die zich reeds sluiten, vv-anneer het regtstreeksche zon-
licht door wolken wordt onderschept, enz.
Niet geheel onmogelijk is het, dat het bestaan der planten
ook nog ondersteund wordt door andere dan de genoemde
invloeden (b. v. elektriciteit, enz.); regtstreeksche bewijsgron-
den daarvoor bezitten wij echter niet. Zonder ons dus daar-
omtrent in gissingen te verdiepen, koeren wij liever tot ons
onderwerp terug.
Langs welke wegen treden de voedingstoffen in
en ontwijken zij uit de planten? Bij de landplanten
dringt uit den bodem het water met daarin opgeloste stoffen
in de jongst gevormde oppervlakk'g gelegene cellen der wor-
tels (dus nabij dier uiterste spitsen, welke zelve uit afgestor-
vene cellen bestaan, z. b. bl. 118) en in de tot het epiblema
der wortels behoorende haren.
Bij de door dampkringslucht omringde planten (zoo als
onechte woekerplanten) en plantendeelen kunnen in de op-
pervlakkig gelegene cellen, zoo lang hare wanden niet te zeer
verdikt of niet met eene cuticula (z. b. bl. 92) bekleed zijn,
vloeistoffen, waterdamp en gassen intreden. Ook in eenigzins
minder oppervlakkig gelegene cellen kan dit geschieden en
wel met name is dit het geval in het groengekleurde paren-
chym van bladeren en in de groene laag van het oorspron-
kelijk schorsgedeelte (z. b. bl. 157). Alsdan dringen de gassen
eerst door de spleetopeningen der opperhuid (z. b. bl. 91)
in, vóór dat zij de genoemde cellen bereiken, zoo lang na-
melijk de sluitcellen (z. b. bl. 93) niet tegen elkander aan-
liggen, hetgeen, even als hare uiteenwijking, o. a. afhangt van
den graad van spanning, waarin de aan haar grenzende op-
perhuids-cellen verkeeren, ten gevolge van haren afwisselend
meer of minder vloeibaren inhoud.
Bij de onder water gedokene plantendeelen dringt vermoe-
delijk door hunne gansche oppervlakte water met het daarin
opgeloste (o. a. ook gassen) in.
Het indringen van stoffen in de cellen uit hetgeen deze om-
ringt, is niet mogelijk, zonder dat uit.haar tevens iets ontwijkt (*),
(•) Zie fig. 456, bl. 386.