Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
357
wijkt. Dit vermeerdert de snelheid der sapbeweging (z. b.
bl. 341) en stelt de planten ten slotte in staat tot ruimere
o])name van voedingstoffen uit den bodem. Waait echter daarbij
een zeer snelle luclitstroom langs de planten, dan loopen deze
gevaar meer waterdamp aan de eene zijde te verliezen, dan
anderzijds vloeibaar water uit den grond kan intreden, en
zoo lijden de ])lanten daardoor meer of minder nadeel. De
warmte en tevens de graad van vochtigheid der dampkringslucht
schijnen te zamen eigenaardig op de gewassen in te werken,
daar voor den groei van vele bestendig eene heete, doch drooge,
voor die van andere eene heete en tegelijk vochlige lucht ver-
eischt wordt. Nevens de vochtigheid en den warmtegraad der
dampkringslucht, als invloed uitoefenende op de planten, moeten
ook in rekening worden gebragt de mate van verwarming van den
don o
bodem en diens meerdere of mindere geschiktheid om die
warmte lang te behouden of spoedig weder uit te stralen.
Behalve het verschil in den groei in onderscheidene klimaten
en tijden des jaars, heeft men ook vaak opgemerkt, dat bij
hetzelfde gewas in één etmaal de groei des daags veel sneller
geschiedt dan des nachts. Ongetwijfeld kan de rede daarvan
o. a. in het alsdan bestaande verschil van vochtigheid en
warmte van dampkringslucht en bodem gezocht worden.
Men vergete echter niet, dat, terwijl de zon de bron der
warmte is, zij tevens ook de oorsprong is van het licht en
men bovendien grond heeft om aan te nemen, dat zij, niet
volkomen geëvenredigd aan den graad cn de rigting dier
beide van haar afkomstige invloeden, ook nog regtstreeks
scheikundig werkende stralen afzendt. Moeijelijk is het in
vele gevallen to bepalen, of eenig verschijnsel, tot welks ont-
staan men de inwerking van hot zonlicht als onmisbaar heeft
leeren kennen, aan de warmte-, licht- of scheistralen, ieder
oj) zich zelf, of op deze of gene wijze vereenigd, moet wor-
den toegeschreven. Zooveel echter is zeker, dat, aan welke
daarvan ook het eigenlijk inwerkende vermogen moge toe-
komen , iedere plantsoort, ja zelfs de onderscheidene dee-
len eener bepaalde plant voor haren wasdom noodzakelijk
eene zekere mate van licht behoeven. Zoo zijn er slechts
zeer weinig planten (met name onder de zwammen), welke
weinig of geen licht behoeven, zoo ook kiemende zaden, enz.;