Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
355
oplevert, niets anders is, dan zwarte aarde, kleurloos water
en onzigtbare dampkringslucht, veranderd en vervormd, in
elke plant op de haar eigene wijze? Doet deze ontdekking
te kort aan de vereering en gehechtheid, welke gij, door on-
bestemde indrukken geleid, welligt reeds lang aan den een
of anderen door u bevoorregten telg uit dat heerlijke plan-
tenrijk hebt toegewijd? Of klimt uwe verbazing niet veeleer,
nu gij verneemt, hoe eenvoudig de middelen zijn, waarover
eene scheppende Magt beschikt, om zooveel schoons tot stand
te brengen? Zoo gij god in de natuur wilt leeren kennen,
ga dan in Zijne werkplaats ter schole. In het gansche Heelal
arbeidt de Opperbouwheer; de aarde, met millioenen bollen
langs vaste banen wentelende, is als een droppel in die zee
van werelden; en toch verkondigt daarop reeds elke planten-
cel de grootheid van den Eenigen en Eeuwigen Maker! Ook
wat onder de spruiten des velds den oningewijde minder be-
langwekkend toeschijnt, verkrijgt voor u dezelfde waarde als
het met de schitterendste kleuren en zonderlingste vormen
toegeruste gewas; de door u verworvene kennis boezemt u
liefde in voor elke plant, — want zij wordt voor uw dich-
terlijk gestemd gemoed het verbindingsmiddel tusschen u en
haren, d. i. ook uwen Schepper.
Hoe lijdelijk derhalve de planten ook mogen zijn tegen-
over dat, wat om haar heen is, hoezeer zij haar bestaan al-
léén daaraan mogen verschuldigd zijn, verlieze men echter
niet uit het oog, dat zij op hare beurt weder in eene menigte
opzigten wijzigend op die omgeving inwerken. Dit ligt na-
tuurlijk niet alleen daarin, dat zij aan de haar omringende
middelstoffen het een en ander onttrekken, maar ook doordien
tijdens haar bestaan en niet minder daarna, wanneer zij in
den toestand van vermolming en verrotting verkeeren, eene
reeks zelfstandigheden uit en van haar ontwijken of los raken,
welke weder tot de bronnen terug keeren, vanwaar zij hare
voedingstoifen ontleenen. Door bepaalde planten worden de
bodem en de lucht, met wat daartoe behoort, zoodanig ge-
wijzigd, dat dezen niet immer en overal dezelfde scheikundige
bestanddeelen bevatten en in denzelfden physischen toestand
verkeeren blijven.
Zoo was men meermalen in de gelegenheid op te merken,
23*