Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
347
ten, zal de latei-e kieming wèl slagen. Niet onwaarschijnlijk
is het echter, dat gedurende dien zoogenaamden rusttijd eene
verdere rijping, althans eene voorbereiding tot kieming plaats
heeft, welke zich niet altijd als regtstreeks waarneembaar
openbaart. Intusschen lijdt het geenen twijfel, dat onderschei-
dene deelen van het zaad, waartoe eene kiem behoort, ver-
anderingen moeten ondergaan, vóór dat de laatste verder
groeijen kan, ja zelfs neemt zeer vermoedelijk de kiem zelve
reeds evenzeer deel in die veranderingen, vóór dat men haar
als kiemende pleegt te beschouwen. De aard dier verande-
ringen is grootendeels in scheikundige omzettingen gelegen,
O. a. in het naauwste verband staande met den physischen
bouw (meerdere of mindere dikte, hardheid, enz.) der zaadhuid.
Is in de meeste gevallen eene volkomene rijpheid van het
zaad bij zijnen overgang in den bodem eene onmisbare voor-
waarde voor eene regelmatige kieming, zoo zijn er toch ook
voorbeelden bekend, dat de groei der kiem even goed gelukt,
wanneer de overige deelen van het zaad, bij den overgang
daarvan in den bodem, in nog niet geheel rijpen staat ver-
keeren; dat zij alsdan hierin verder rijpen, is intusschen wel
denkbaar.
Is eens de kieming duidelijk zigtbaar aangevangen, ook
diin nog is de duur daarvan bij de kiemen der onderschei-
dene planten zeer verschillend, van eenige dagen tot meer-
dere weken. Deze duur berust evenzeer o. a. op den aard
en de mate der scheikundige omzettingen in de verschillende
deelen van het zaad. Men rekent den zigtbaren aanvang der
kieming van den tijd, waarin door het intreden van het
in den bodem, waarin het zaad ligt, voorhandene water met
daarin opgeloste stoiFen in de cellen van de omhulsels der
kiem (dus in sommige gevallen ook in die van het met het
zaad verbonden geblevene vruchtbekleedsel) en in de cellen
der kiem zelve, eene verweeking en uitzetting harer wanden
ontstaat, zich als eene zwelling van het geheel openbarende.
Deze opname van water, enz. heeft o. a. ten gevolge, dat uit
het in de zaden bereids voorhandene allerlei nieuwe stof-
fen gevormd worden, waartoe ook medewerkt het uit de
dampkringslucht tevens intredende zuurstofgas, waarbij ge-
lijktijdig koolzuurgas, waterdamp, enz. ontwijken. Met