Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
345
ring bijdragen (z. b. bl. 198). Men vergete echter niet, dat
b. V. ook uit stengel-deelen, enz. op zich zelf vaak nieuwe,
zelfstandige planten kunnen uitgroeijen, (hetgeen kweekers
dikwerf op kunstmatige wijze weten te bevorderen,) en aan
den anderen kant, dat de genoemde deelen voor de vermeer-
dering toch ook een aandeel hebben in den groei der plant,
waarop zij voorkomen (*); eindelijk dat de verschijnselen van
vermeerdering zeiven, zoo men die tot in hunne laatst waar-
neembare grondslagen ontleedt, grootendeels tot verschijnse-
len van groei te herleiden zijn. Het ware echter ondoenlijk,
een regelmatig overzigt van hetgeen er in eene levende plant
omgaat, te leveren en de voorwaarden voor haar bestaan te
schetsen, wanneer men niet de gemelde onderscheiding der
verschijnselen in het oog hield. Gezamenlijk kan men deze,
omdat zij aan alle planten eigen zijn, de algemeene, en
andere, welke zich slechts bij bepaalde planten of planten-
deelen vertoonen, de bijzondere levensverschijnselen
noemen.
i. algemeene levensverschijnselen.
De groei eener plant bestaat in de toename van den om-
vang harer deelen en in de ontwikkeling van nieuwe met
haar vereenigd blijvende deelen.
De vermeerdering eener plant bestaat in de ontwik-
keling van eene of meer van haar afkomstige, zelfstandige
planten.
A. Groei.
Een der eenvoudigste toestanden, waarin eene zaadplant
verkeeren kan, is die, waarin zij als »kiem", dus als een deel
van een zaad voorkomt. De groei der kiem tot op het tijd-
perk, waarin zij vrij geraakt is van al wat overigens tot haar
zaad behoorde, is bekend onder den naam van ukieming".
Wanneer men van kiemende zaden spreekt, verstaat
men daaronder zaden, wier kiemen tot zelfstandige planten
uitgroeijen. Daarvoor wordt in de eerste plaats vereischt, dat
het zaad, waarin zich de kiem bevindt, in gaven toestand in
(•) Z, b. de noot op bl. 318.