Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
336
de wederkeerige inwerking der scheikundige bestanddeelen
van den cel-inhoud. Wijders kan men soms nog trillende
en glijdende bewegingen van zeer kleine korreltjes, in eene
cel bevat, waarnemen, zoo als b. v. in stuifmeelkorrels; som-
tijds vertoont zich deze ook bij de korrelige ligchaampjes
in melksap (z. b. bl. 44); het melksap is niet, zoo als men
vroeger aannam, in aanhoudend stroomende beweging; waar
men deze meende waar te nemen, was zij het gevolg van het
werktuigelijk verbreken of drukken van den wand der bastcel
of van het openen der beslotene ruimte, waarin het zich
bevond. Het vloeide er dan uit, en zoo ontstond de verkeerde
voorstelling, dat het zich ook in gave plantendeelen voortbe-
woog. De eigenaardige bewegingen van den cel-inhoud bij de
vermeerdering van zekere zeer eenvoudige wieren, van de
zwermdraden, van de zwermsporen, enz. zijn reeds vroeger
(Hoofdst. XI) vermeld.
Niet immer is alles, wat tot eene cel behoort, van besten-
digen duur. Zoo wordt niet zelden een gedeelte van haren
inhoud zoo veranderd, dat deze van den vasten weder in
den vloeibaren vorm overgaat en dan later door den celwand
heen naar buiten dringt, om b. v. weder in eene aangren-
zende cel in te treden. Wat van den beginne af daarin in
vloeibaren toestand voorkwam, kan evenzeer door zoodanige
uittreding weder daaruit verdwijnen. Soms gaat echter ook
een gedeelte van den celwand verloren, b. v. bij de vaat-
cellen (z. b. bl. 72), of wel de geheele celwand, b. v. die
eener moedercel na de vorming van dochtercellen (z. b. bl.
63), de stuifmeelbuis (z. b. bl. 299), enz. Ook hierbij moet
natuurlijk het vroeger vaste in vloeibaren toestand overgaan
en zoo in andere cellen intreden. Men heeft dit verdwijnen
van vloeibare of vaste cel-bestanddeelen onder den invloed
van nabijgelegene cellen opslorping genoemd.
Na korteren of längeren tijd volgt er echter een stilstand
in de reeds genoemde verschijnselen. Daar, waar de cel niet
geheel opgeslorpt is, kan zij onveranderd blijven voortbestaan
en dan alléën tot den werktuigelijken zamenhang met andere
cellen bijdragen; zoo b. v. de cellen met zoodanig verdikte
wanden, dat hierin geene vloeistof of gas-soort meer in- of
uittreden kan. Meermalen echter verdroogen zij en worden
22*