Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
336
Ontleedkundige bestanddeelen; gemakshalve zullen wij die on-
der het woord »cellen" zamen vatten.

A. Het bestaan der cellen.
Eene der gewigtigste eigenschappen der cellen is^ dat door
haren wand vloeistoffen, gassen en dampen kunnen doordrin-
gen^ d. i. zoowel daarin kunnen intreden, als daaruit kun-
nen ontwijken. Dit geschiedt in weerwil,
dat in dien wand, zoo als gij weet, (op zeer
Aveinige uitzonderingen na, z. b. bl. 59 en 282)
geene ware openingen voorkomen. Dit ver-
schijnsel vertoont zich daar het sterkst, waar
er tusscheii hetgeen in de cellen bevat is en
hetgeen zich daar buiten, d. i. daaromheen
bevindt, het grootste verschil in digtheid be-
staat. De vloeistof, die liaar omringt, is met
name water en daarin opgeloste stoffen.
Daar nu inzonderheid de inhoud van zeer
jeugdige cellen (z. b. bl. 60) aanmerkelijk
digter is dan deze haar omringende vloeistof,
zoo heeft daarin ook vooral het indringen
met de meeste kracht en snelheid plaats.
Van het ingedrongene, hetgeen dus is water
met daarin opgeloste stoffen, of eenige gas-
soort, (hetzij deze laatste op zich zelf, of ook
in het water opgelost,) kan men dus zeg-
gen, dat het in of door de cel is opgeno-
men. Op tot nog toe grootendeels onbegrij-
466. Osmöiiscbe toestül.
456. In eenig vaatwerk n n bevindt zicli eene vloeistof, b.v. zuiver water; eene daarin
geplaatste flesch h is gevuld met water, waarin veel keukenzout opgelost is, doch heeft
geenen glazen bodem, maar, in. stede daarvan, een dun bekleedsel van het een of
ander plantaardig vlies, b.v. kaoutschouk. Weldra zal nu het water in het vat nn
verminderen, daarentegen in b klimmen, b. v. tot in r, in het in den stop van h be-
vestigde glazen buisje a a, ja zelfs na eenige dagen reeds daar boven uitvloeijen. Was
in b eene gekleurde vloeistof, b.v. water, blaauw gekleurd, doordien daarin eenige
stukjes kopervitriool zijn opgelost, dan ziet men het water in n n langzamerhand
blaauw worden, zoodat hieruit blijkt, dat de inhoud van b naar buiten tieedt, terwijl
die van n n daarin overgaat. Dit verschijnsel kan aldus in algemeene bewoordingen
omschreven worden : Wanneer twee vloeistoffen, welke physisch of chemisch ver-
schillen, door een plantaardig vlies van elkander gescheiden zijn, dan zullen zij zoo
lang van weêrszijden hier door heendringen, tot dat er zooveel mogelijk gelijkheid
in beider hoedanigheid zal zijn ontstaan. De snelheid van het doordringen is dik-