Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
332
Van veel meer gewigt is het bestaan eener maag, over 't algemeen
van eene in het ligchaam aanwezige holte, waarin vaste voedingstoffen
opgenomen en gedeeltelijk opgelost worden, waarna het onoplosbare
weder uitgescheiden wordt. Zulk een deel vindt men nergens bij de
planten. Er zijn echter schepsels, de Amoeben, die zelfs in dit opzigt
eenen overgang vormen. Deze kleine wezens, welke ieder oogenblik
hunne teêre gedaante veranderen, — eenigzins overeenkomende met eenen
uiteenvloeijenden slijmdroppel, — verkeeren in vlugge beweging, zoo als
andere afgietseldiertjes; duurzaam bezitten zij niets, niet eens eene lig-
chaamsholte. Daarentegen kunnen zij op iedere willekeurige plek van
de oppervlakte huns ligchaams eene kleine holte vormen, die zich spoe-
dig onder de oogen van den waarnemer uitzet, eindelijk naar huiten
opent, eene kunstmatige maag vormt, waarin dc spijs opgenomen wordt.
Daarna groeit de zelfstandigheid van het ligchaam weder over die ope-
ning henen en de voedingstof bevindt zich dan in het inwendige des
ligchaams.
Ook in scheikundig opzigt vinden wij geene streng doorgaande
kenmerken. In de groote huishouding der natuur staan wèl dieren- en
plantenrijk in eene eigenaardige afhankelijke betrekking tegenover elk-
ander; want terwijl de gewassen de elementaire delfstof onder uitschei-
ding van zuurstof in organisclic stof van zeer zamengestelden aard
veranderen, wordt door liet dierenrijk, hetwelk regtstreeks of middellijk
eigenlijk slechts van planten leeft, deze stof weder verbruikt, tijdens
het levensproces ontleed, bij de ademhaling op nieuw met zuurstof
vereenigd, verbrand, tot dat zij weder geheel tot het onbewerktuigde
rijk vervalt. Toch komen hier in enkele gevallen sommige uitzonderin-
gen voor. Zeer vele planten, zoo als de meeste woekerplanten, komen
hierin geheel overeen met de dieren; ja zelfs zijn er bij de planten van
de hoogste orden zekere deelen, zoo als de bloemen, welke in dit opzigt
geheel met de dieren te vergelijken zijn.
Even als de uitscheidings-stotfen, zijn ook de zamenstellende bestand-
deelen van het ligchaam zelf in beide rijken niet altijd en in alle op-
zigten verschillend. De cellulose, de vaste grondslag der meeste plant-
aardige ligchamen, ontbreekt bij verreweg de meeste zwammen, schimmels
enz. geheel en al; daarentegen vindt men haar, hoewel ook niet veel-
vuldig, in het dierenrijk, zoo als o. a. bij de in de zee levende Ascidiën.
[Evenmin is het zetmeel eene stof, uitsluitend aan de planten eigen,
terwijl ook de afwezigheid van groene kleurstof geen kenmerk
voor den dierlijken aard is.]
Uit dat alles volgt, dat wij er van moeten afzien, dit van oudsher
aangenomen, doch inderdaad verouderd verschil tusschen dieren- en j)lan-
tenrijk te willen behouden; wij zijn wel genoodzaakt, een zeker gebied
te erkennen, waarin de verschillende eenvoudige vormen van levende
wezens een onbestemd karakter vertoonen, waardoor het onmogelijk is,
met wetenschappelijke zekerheid te zeggen: hier is de grens!