Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
330
door geheel opgeloste en meestal vrij eenvoudige zelfatandigheden ken-
schetsen de plant.
Die maatstaf laat ons echter in den steek, zoodra wij den blik verder
om ons henen slaan.
Wat vooreerst de lagere ontwikkelings-trappen der dieren en
planten betreft, welke in zoo geringe mate het kenmerk hunner klasse
vertoonen, — zoo als het vogel-ei in vergelijking met den vogel, of zoo
als de zaadkorrel, die haar voedsel vindt in de stoffen, welke zij zelve
bevat, nadat zij eerst vloeibaar zijn geworden, — zonder bezwaar rang-
schikken wij ze onder die afdeeling, waarheen hunne verdere ontwikke-
ling ze verwijst; d. i. wij geven ze eene plaats naar gelang van den toe-
stand, waarin zij zullen optreden, wanneer zij den hoogsten graad hunner
ontwikkeling bereikt hebben. Dit is echter ondoenlijk, wanneer wij het
oog vestigen op de laagste vormen van levende wezens, die steeds in
dezen eenvoudigsten toestand blijven verkeeren. De monade,
op de grens der georganiseerde schepping, die zich bijna uit ieder in
water verrottend planten-ligchaam in tallooze menigte ontwikkelt, treedt
voor het gewapende oog, zelfs door het beste mikroskoop en bij de sterkste
vergrooting, niet anders op dan als een kort, doorschijnend en kleurloos
staafje, zonder eenige inwendige organisatie, hetwelk met eene ongemeene
vlugheid in allerlei rigtingen den waterdroppel, waarin het zich bevindt,
doorkruist, doch niet vatbaar is voor eene hoogere volmaking en ont-
wikkeling. Is dit nu een dier of eene plant?
Wat de beweging aangaat, men vindt die ook bij enkele deelen
van vele planten, voornamelijk van die, welke in hare bloemen en bra-
den het dagelijks zich herhalende verschijnsel vertoonen van den zoo-
genaamden plantenslaap en het weder-ontwaken in den daarop volgen-
den morgen. Doch ook de verandering van plaats, de voortbeweging
van het geheele ligchaam, is niet aan alle dieren eigen, b. v. niet
aan de koraal-diertjes in de zee, die, tot stammen te zamengegroeid, op
rotsen vastzitten; — iets dergelijks vinden wij ook bij veel hoogere
dieren, b. v. bij de oesters, die alleen in hunne jeugd vrij rond-
zwemmen. Aan den anderen kant zijn er ook eenige jdanten, welke,
althans in zeker tijdperk van haar leven, vrije verandering van plaats
vertoonen. Zoo b. v. zekere wieren {Vaucheria), welke in onze traag
vlietende slootjes in weilanden niet zelden voorkomen. Deze planten
vormen in hare takken groene bolvormige ligchamen, welke, nadat zij
van de moederplant zijn afgescheiden, eenigen tijd vrij rondzwemmen,
zich dan vastzetten en zelve weder tot eene Vaucherta uitgroeijen.
Hare beweging hangt af van talrijke fijne stralen of wimpertjes, die
haar geheele oppervlakte bedekken en zeer levendig trillen. Geheel daar-
mede overeenkomstig [?] doen zich de trilhaartjes voor, welke het slijm-
vlies van den neus en de luchtpijp bij den mensch bekleeden. Bij andere
planten hebben deze zwermcellen slechts 4, 2 of 1 wimper, welke dan
dikwijls zweepvormig verlengd is [z. b. bl. 215 en 216]. Ja zelfs be-