Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
326
stelde vraag daardoor ontstaan, dat men, bij het zoeken naar
eene naaiiwkeurige bepaling van «het leven", tegelijk het
oog rigtte op planten, dieren en menschen. Vooral geschiedde
dit na de gewigtige ontdekking, dat die allen éénen gelijken
grondslag, — de cel, — als uitgangspunt van hun ontstaan,
met elkander gemeen hebben. Het gevolg daarvan had dus
moeten zijn, dat men in staat ware geweest door dezelfde
woorden uit te drukken, wat b. v. »het leven" is van een'
perenboom, een' schildpad en een' von hümboldï! Dat is
nog niet gelukt, — doch zal ook niet gelukken, zoo lang
men uhet leven" als iets afzonderlijks, iets op zich zelf staande
blijft beschouwen. Men behoort zich het leven altijd voor te
stellen in verband met bepaalde voorwerpen; alléén bestaat
het niet, is het dus niet; evenmin »de dood." Wel kan men
zich een begrip vormen van een levend voorwerp, of
van een dood voorwerp; wij zijn er dagelijks en overal
van omringd; wij zeiven zijn op dezen oogenblik nog levende
voorwerpen; »leven" of »dood" op zich zelf zien wij echter
nergens. »Wat wij niet zien, kan intusschen toch wel bestaan",
denkt gij welligt. Ik geef dat toe, doch acht het aannemen
van zoo iets onzigtbaars en toch bestaande alleen voor die
gevallen noodig, waarin wij geen ander middel tot verklaring
van hetgeen onze aandacht treft kunnen uitdenken. Zoo lang
echter als en overal waar het hem, die zich met natuurstudie
onledig houdt, mogelijk is, door hetgeen hij met zijne zin-
tuigen kan waarnemen, de eigenschappen van voorwerpen uit
den toestand, waarin deze zeiven verkeeren, af te leiden, mag
hij er geenen daaraan vreemden verklaringsgrond bijslepen.
Zoo ook o. a. dan niet, wanneer hij tot een juist begrip van
»het leven" komen wil. Hij vange daarbij aan, met af te zien
van de verschillende beteekenissen, welke in de gewone spreek-
wijze aan het woord »leven" gehecht wordt, en beproeve dan,
wanneer hij zich rekenschap wil geven van dat verschil van
indrukken, welke levende en niet-levende voorwerpen op hem
en bereids op den minst-geoefende maken, zóó te vragen, dat
een voldoend antwoord volgen kan. Hij vraagt daarom an-
ders dan een ongeoefende en zegt niet meer »wat is het le-
ven?" als vroeg hij naar iets, wat op zich zelf bestaat, maar
b. V. »wat is een levend voorwerp?" »Wat is eene levende