Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
316
iedere klep aan zijne beide randen een dier platen draagt, of
c) langs liet midden van een hok vaneenspringen, zoodat mid-
den langs de binnenvlakte van eiken afgesprongenen klep
ëén onverdeeld tusschenschot bevestigd blijft. Ook bij de
twee laatste wijzen van openspringen blijft er soms in 't mid-
den een langwerpig deel staan, waaraan de zaden zijn vast-
gehecht. Enkele vruchten zijn er bekend, waarin achtereen-
volgens twee der gemelde wijzen van openspringen waar-
neembaar zijn.
De splitvruchten eindelijk
scheiden zich óf door overlang-
sche, óf door dwarse splijting
in meerdere gedeelten, in ieder
waarvan, zoo als bereids gezegd
is, een zaad door het daarom-
heen gelegene gedeelte van het
vruchtbekleedsel bedekt blijft.
Tusschen doos- en split-
vruchten komen ook verschil-
lende overgangsvormen voor.
Hoedanig intusschen het
maaksel der vruchten zijn mo-
ge, hetzij zóódanig ingerigt,
dat hare zaden spoedig en vrij
daaruit kunnen ontsnappen, of
wel zóó, dat het vruchtbekleed-
sel geheel of gedeeltelijk, lan-
ger of korter de zaden vóór
hunne ontkieming blijft om ■
kil
vmcliteD, n
zaden.
443. A. Zich overlangs in 2 dopvruchtjes splijtende vrucht van het kruisbladig
walstroo (Gnlium Crucialo) B. Zich in 4 dopvruchtjes splijtende vrucht van eene
plant uit de groepen der Labiaten of Borraginèën; vroeger ten onregte „naaktzadigen"
genoemd; toen men namelijk nog niet begrepen had, dat bij de dopvruchten vruchtbe-
kleedsel en zaad in zekeren graad van zamenhang kunnen verkeeren, meende men, be-
halve deze groepen, ook die der grassen, schevmdragenden, zamengestelden, enz. waarbij
zulke vruchten voorkomen, naaktzadigen te mogen noemen. C. Vrucht van de spaan-
sche esparcette (Hedysnrum Onóbrychis of corondrium), zich door dwarse spleten
in zijne eenzadige hokken splitsend; — zoodanige splitvrucht heeft men, even als de
in fig. 436 B en C afgebeelde, lid peul genoemd. D. Zich in 2 gevleugelde dop-
vruchten verdeelonde vrucht van de gemeene esehdoorn {Acer Pseudoplatdnus),
444. A. Geheele vrucht van de dille {Anélhum graveólens). B. Dezelfde, overlangs
in 2 dopvruchten gesplitst zijnde, welke aan een tusschen beiden bevestigd en gesple-