Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
314
431 Met opeaingen opeaspringeaile vrucliteD.
deelingen omvat weder
velerlei vormen, allen,
ZOO als ligt te begrijpen
valt, door bepaalde namen
onderscheiden. Bij zooda-
nig zamengestelde of za-
mengevoegde vruchten (z.
b. bl. 305), dat de oor-
sprong van iedere in 't
bijzonder daartoe behoorende vrucht op zich zelf nog duide-
lijk waarneembaar is, kan ieder dier laatsten onder éëne der
gemelde hooldverdeelingen gerangschikt worden (*).
De wijze, waarop de doosvruchten openspringen, kan in
zooverre verschillen, dat
dit geschieden kan met
ronde openingen, die aan
den topj den voet of ter
zijde van het vruchtbe-
kleedsel gelegen zijn; dik-
wijls beantwoordt in dit
geval het aantal openingen
aan dat der hokken. Zij kunnen ook langs ééne zijde door
overlangsche spleten openspringen of wel door^eenen dwar-
sen kringvormigen spleet. Dit laatste strekt o. a. tot bewijs,
dat het openspringen niet altijd gelijk staat met eene split-
438. Met splflteo opeaspriajende vrucMen.
stekeltjes voorzien. Daarentegen verdient E. de vrucht van de kleine rupsklaver
{Medicdgo minima), die ook van stekeltjes voorzien is, wegens zijne wijze van open»
springen met ééne spleet aan de binnenzijde, den naam van kokervrucht, mede
tot de doosvrucliten behoorende.
437. A. Van de kleine kalfssnuit {Antirrhinum Oróniiuin); met 3 openingen (1 aan
den top en 2 zijdelingsche) openspringende; van boven is nog de stijl, van onderen
de kelk overgebleven. B, Van het ruwharig klokje {Campanula Trackélium),meX zijde-
lingsche nabij den voet staande openingen openspringende. C. Van de gemeene klap-
roos {Papaver Rhoeas), aan den top onder den overgeblevenen stempel met vele ope-
ningen (eigenlijk zeer kleine klepjes) openspringende. Dergelijke „doosvruchten" als
de hier beschrevene dragen meer in 't bijzonder den naam van zaaddoos of doos-
vrucht, zynde één- of veelhokkig en veelzadig; — evenzoo de in fig. 439, 441 en
442 voorgestelde.
438, Vereenigde kokervruchten (zie noot fig, 48fi. E.) van A, de pioen {Paeónia)-,
B. de ster-anijs {IlHcium anisatum); C.^de gemeene zwmebloem {Bülomus umbelldtus).
(*) Vergel. b, v. fig. 438 A, B en C. Elke vrucht is uit doosvruchten zamengesteld,
welke met éénen naad openspringen; zoo ook van fig. 417 A. — Ieder vruchtje van
417 B en C is eene besvrucht; —van fig, 418 B eene dopvrucht; zoo ook van fig. 419
A, B en C; insgelijks ieder vruchtje van 424, 427 B, 428 O en 429 A, B en C.