Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
311
met de evenzeer saprijk gewordene cellen van het geleidend
weefsel en den knopdrager eene brijige, weeke massa vormen;
en eindelijk c) steenvruchten, waarbij de buitenste paren-
chym-lagen des vruchtbekleedsels vleezig ontwikkeld, doch de
binnenste zeer vast, hout- of steenhard geworden zijn.
Niet alleen echter verandert de wand van het vruchtbe-
ginsel bij zijnen overgang in vruchtbekleedsel, maar ook in-
wendig kunnen daarbij wijzigingen plaats hebben, welke het
zeer moeijelijk maken om, met de rijpe vrucht voor zich, te
bepalen hoe de vroegere toestand geweest is. Zoo verdwijnen
soms de bestaan hebbende tusschenschotten, vooral die, welke
tot de vorming van hokken in het vruchtbeginsel bijdroegen,
waarin zaden voorhanden waren, die onbevrucht zijn geble-
ven en weldra geheel verdwenen (*). Anderzijds ontstaan
soms bij het rijpen der vrucht ongevulde opene ruimten in
het weefsel, schijnbaar zoo vele hokken vormende, of wèl
door nieuwe celvorming, van den binnenwand uitgaande,
tusschenschotten tusschen zaden, welke, toen zij nog zaad-
knoppen waren, digt bijeenlagen.
Van den bouw der weefsel-lagen van het vruchtbekleedsel
is het ook afhankelijk, of in rijpen toestand de vruchtbe-
kleedsels verrotten en eerst na het afvallen der vruchten
onregelmatig openbersten, — dan wel of zij, in nog onver-
dorden staat, vóór het afvallen der vruchten, regelmatig open-
springen. Zelfs staat daarmede in het laatste geval de wijze
van openspringen in verband; dit immers is een gevolg van
eene bepaalde rangschikking der cellen, die bij het uitdroo-
gen der vrucht uiteenwijken; reeds in het vruchtbeginsel
onderscheiden zich vaak die cellen door haren inhoud en
een bijzonder voorkomen harer wanden. Van dit verschil
heeft men evenzeer partij getrokken, om daarvan een indee-
lings-grond voor de menigte vruchtvormen te maken.
Bij A) de niet-openspringende vruchten kan het
vruchtbekleedsel van buiten vleezig of saprijk zijn, doch bin-
nenwaarts steeds harder worden en zoo ten laatste eenen
steen vormen (z. b. bl. 310); deze noemt men 1) steen v ruch-
es) Zoo heeft b. v. elk vruchtbeginsel der eetbare kastanje (Castdnea mca) 6 hok-
ken en 12 zaadknoppen; elke rijpe vrucht daarentegen is éénhokkig cn bevat slecht»
1 zaad.