Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
307
ül
428. 429.
Vrucht-aaohaogsßls of -uithreidiageoi van iloeniieeleQ afkomstig.
vruchten, die digt bijeenstaan en in den vleezig uitgegroeiden vruchtbodem zijn in-
gedoken.
425. A. Een vruchtje van de gewone kamille {Matricaria ChamomUla), zonder aan-
duiding van zaadpluis. B. Van het reinvarenkruid {Tanacéluin vulgäre), met een be-
gin daarvan. C. Van de paardebloem {Taraxacum officinale), met duidelijk ontwikkeld
en gest«'eld zaadpluis ^vergeh bl. 268, fig. 303). D. Een vruchtje van de regtopstaande
clematis {Clematis erécta), met den staartvormig uitgegroeiden stijl bezet.
426. A. Vrucht („olifantsluis") van den acajou-boom {Anacdrdiujn occidentale); het
bovenste peervormi:;e deel is de vleezig uitgegroeide vruchtbodem; daarop is de
eigenlijke niervormige vrucht bevestigd, waarvan in B. eene (vergroote) dwarse
doorsnede,
427. A. Overlangsche doorsnede van eene bloem der aardbezie {Fragdria tésca),
met een aantal vrije stampers op den bloembodem, B. Deze laatste, in vruchtbodem
veranderende, wordt vleezig en saprijk (het bekende eetbare deel der aardbezie) en
daarin liggen nu de in vruchtjes veranderde vruchtbeginsels ingedoken.
428. A. Overlangs doorgesnedene bloem eener roos {liósa)', men neemt hierbij aan,
dat de bloembodem eene uitgeholde gedaante bez!t (z. b. bl. 264) en tot steun strekt
aan meerdere stampers. Later —B— zou de daaruit voortspruitende vleezige vrucht-
bodem aan haren top geopend en nog met een gedeelte van de vrije kelkslippen be-
zet blijven en inwendig — C — de in vruchtjes veranderde stampers bevatten.
429. A, Overlangs doorgesnedene vrucht van den perenboom {Fyrus coTnmünis)',
de oorsprong van het buitenste gedeelte is overeenkomstig met dien van het ouihul-
sel der rozenvrucht, doch aan den top gesloten en met verwelkte kelkslipjes bezet;
de zoogenaamde pitten, in eenen kring daarin gtlegen (B is de dwarse doorsnede),
zijn dus als zoovele vruchtjes te beschouwen, die door eenen vleezigen vruchtbodem
(het eetbare gedeelte) omhuld zijn. C. Vrucht van Fünica Grandlum, overlangs door-
gesneden; van nagenoeg gelijke vorming; het lederachtig omhulsel springt hierbij
gedeeltelijk klepvormig open; inwendig vindt men n>eerdere (onechte) tus-chenschot-
•20*