Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
305
geu oorsprong. Zoo echter meerdere vruchtbeginsels in de-
zelfde bloem hunnen enkelvoudigen oorsprong duidelijk blij-
ven behouden, in weerwil, dat zij dan ook in meerdere
of mindere mate zamenhangen, met andere woorden, zoo er
een zamengestelde stamper (z. b. bl. 287) -in eene bloem
voorkomt, kunnen al de stampers (of slechts eenige daarvan),
waaruit die zamengestelde stamper bestaat, tot vruchten uit-
groeijen en zoo schijnbaar éé n e vrucht vormen, die echter bij
nader onderzoek uit meerdere blijkt zamengesteld te zijn.
Eén bloemsteel strekt echter dikwerf tot drager of alge-
meene as van vele digt bijeengeplaatste bloemen (d. i. van
eene bloeiwijze, z. b. bL 246) en zoo is ook het geval mo-
gelijk, dat de vruchtbeginsels van verschillende nabij elkan-
der staande bloemen zóó te zamen uitgroeijen, dat de onder-
scheidene vruchten worden zamen gevoegd tot één geheel,
hetwelk zich ook weder schijnbaar als ééne vrucht voordoet.
De volwassene vrucht verraadt zoodanigen oorsprong niet
zelden slechts zeer onvolledig; slechts door regelmatige waar-
neming van al de veranderingen, welke de bloemen na het
tijdperk der bevruchting (z. b. bl. 298) ondergaan, kan men
daaromtrent de ge-
wenschte zekerheid er-
langen.
Terwijl wij de ver-
anderingen , die de
zaadknoppen bij hun-
nen overgang in zaden
ondergaan, nog voor
een oogenblik onbe-
sproken laten en hier Vnicht-aaßäangseis, niet vaQ blflflindeelen afkoEttstig.
de vruclitjes gedoken zijn van de Ananas (Bromélta Ananas)-, tiet uiteinde der alge-
meene as, waarop de verschillende bloemen bevestigd waren, draagt aan den top nog
een bladkroon. B. Vleezig gewordene en te zamen vereenigde bloemomhulsels met de
daarin gedokene vruchtjes van de moerbezie (Mórus), C. JEïen vrouwelijk katje (z b
bl. 250) van de witte berk (Bétula dlba), waarvan de algemeene as en de daarop be-
vestigde schutbladen, in wier oksels de vruchtjes staan, verhout zyn ■ op ieder schut-
blaadje bevonden zich vroeger 3 zeer eenvoudig gevormde bloemen, alleen uit een
stamper bestaande, die later in eene vrucht veranderde.
420. Vruchten („hazelnoten") van den hazelaar {Córylm AveUana), met een omhul-
sel van bladachtigen oorsprong.
421. A. Kene vrucht van de gemeene esch {Frdxinus excéUior), met eene vleugel-
19