Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
804
kil Vereenigde vruchteni uit dezelfde bloem
ontsproten.
» dat namelijk ongeoefenden dik-
werf ééne enkele bloem mee-
nen te zien, waar inderdaad
eene verzameling van vele bloe-
men aanwezig is", geldt ook van
de vruchten. Veel van wat voor
ééne vrucht gehouden wordt,
bestaat uit meerdere vruchten.
Al wat men op éénen enkelen
steel bevestigd vindt, is daarom
nog niet eene enkelvoudige vrucht. De vruchtsteel na-
melijk is de vroegere bloemsteel; het uiteinde d. i. de top
van dien steel was de as der bloem of zoogenaamde »bloem-
bodem" (z. b. bl. 241), waarop o. a. de stampers bevestigd
waren. Na de verandering der vruchtbeginsels en zaadknop-
pen in vruchten, kan men den bloembodem vruchtbodem
noemen. Eéne enkele vrucht, hierop voorkomende, kan nu
zijn ontstaan uit het ééne vruchtbeginsel, dat die bloem be-
vatte, maar ook, zoo er meerdere vruchtbeginsels in die bloem
voorkwamen, uit één daarvan, terwijl alle overige niet tot
vruchten ontwikkelden en dus verwelkten en verloren gingen.
Maar meerdere vruchtbeginsels in dezelfde bloem zijn niet
zelden tot één geheel vereenigd
(z. b. bl. 287) en zoo groeit er
dan nog ee-
ne enkel-
voudige
vrucht uit,
in weerwil
van den
meefvoudi-
417. A. Vijf zamenhangende vruchtjes, voortgesproten uit ééne bloem van de gewone
akelei (Aquilégia vulgdris). B. Een aantal vleezige, met elkander zamenhangende
vruchtjes, uit ééne bloem van de framboos (Eübus Idaeus), allen op éénen vruchtbo-
dem (zich, bij uittrekking, als een wit kegeltje voordoende,) bevestigd, die nog van
onderen met den blijvenden kelk voorzien is. 0. Zulk eene zamengestelde vrucht,
doorgesneden (eenigzins vergroot).
418. A. Vleezig uitgegroeide peervormige bloembodem van de vijg (Ficus Cdrica). ~
Ieder pitje, hetgeen men bij doorsnijding — B — daarin vindt, is een vruchtje van
een bijzonder bloempje (vergelijk fig. 319).
419. A. Vleezig ontwikkelde en vereenigde schutbladen en bloemomhulsels, waarin