Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
301
verblijfsel hiervan, eene plasma-massa, zonder omlinllend cel-
vlies, welke aan de inmiddels door den kiemzak heengedron-
gene en tot op die hoogte doorgegroeide stuifmeelbuis aan-
hangt of althans onmiddellijk grenst. Overigens is ieder dier
grooter gewordene cellen met een zeer los cel-(?)weefsel ge-
vuld en in het onderste gedeelte van ëëne grootere cel
voorzien, die door sommigen als zelfstandige vorming aldaar,
door anderen als de daarheen verplaatste plasma-massa, nu
met eenen celwand omhuld, beschouwd wordt. Deze laatste
cel verdeelt zich weldra in 4 andere, die op hare beurt Ave-
der in 4 cel-laagjes veranderen, waarvan de bovenste spoedig
verdwijnt; de tweede blijft bestaan in den bodem der eerst-
vermelde grooter gewordene cel; de derde verlaat deze laatste
en groeit tot langwerpige buizen uit, waaraan de vierde —
zijnde de eigenlijke aanleg van eene of meerdere kiemen —
bevestigd blijft. De jeugdige kiem geraakt daardoor midden
in het kiemwit en groeit aldaar verder uit; de buizen, uit
de derde laag ontstaan, verdwijnen weldra. In denzelfden
zaadknop komt echter gewoonlijk slechts ëëne kiem tot vol-
ledige ontwikkeling; de overige gaan, hoewel haar aanleg
gevormd wordt, meestal weder verloren.
doorgesneden; si: daarin gedrongene stuifmeelbuis; d: de 4 cel-laagjes, waarvan de
onderste — k — de aanleg der kiem is.
412. De bevruchting by de den. A. Een jonge schub, tot drager der zaadknoppen
— zk — strekkende. B. Overlangs doorgesneden zaadknop (met één omhulsel — /»); op den
top van de kern — k — liggen stuifmeelkorrels, wier buizen eerst een jaar later in de groo-
tere cellen van den kiemzak — kz—doordringen. G. De stuifmeelbuizen — sb — groeijen
dan|nameUjk door de cellen van den top der kern —k— tot in die grooter gewordene
cellen — c — van den kiemzak, waarvan het overige gedeelte met kleine celletjes,
zynde het kiemwit — ktc — (hier niet afgebeeld), gevuld is; z: dat gedeelte van het
kiemwit, hetwelk los wordt en waardoorheen de kiem, aan hare buis bevestigd, tot
midden in het kiemwit wordt voortgeschoven. D. In den kiemzak liggen bier S
grooter gewordene cellen — c —; op den bodem van één dezer bevindt zich, na de
verdwyning van het 1ste cel-laagje, het 2de — cl —; het 3de is buisvormig verlengd
— kb — en draagt van onderen den kiem-aanleg — k —.