Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
299
buis regtstreeks en zoo naauw daarmede verbonden, dat
meestal eene losmaking zonder verscheuring niet mogelijk
is. De wand der stuifmeelbuis zwelt nu geheel of gedeeltelijk
op en haar fijn-korrelige inhoud verdwijnt weldra geheel, zoo-
dat men vermoedt, dat deze door den wand der stuifmeel-
buis in gemeenschap komt met de kiemblaasjes. Weldra wor-
den nu de plasma-bollen van het dradige aanhangsel ge-
scheiden, doordien zij met eenen vasten celstof-wand omhuld
worden, zijnde de eerste aanwijzing van de plaats gehad
hebbende bevruchting. Gewoonlijk groeit nu slechts een, zel-
den meerdere dier aldus gevormde jeugdige cellen tot den
aanleg eener kiem voort, doordien daarin door deeling twee
dochtercellen ontstaan, waarvan de bovenste de drager der
toekomstige kiem, doch de onderste de aanleg der kiem
zelve en door celvermeerdering langzamerhand in een bol-
vormig ligchaampje veranderd wordt, waaraan van lieverlede
het toekomstige as- en bladgedeelte duidelijker zigtbaarder
worden. Verlengt zich de genoemde drager der kiem, dan
blijft de laatste niet meer digt nabij den aan het poortje
grenzenden top van den kiemzak gelegen, maar wordt zij
tot in het midden of het onderste gedeelte van den kiemzak
voortgeschoven. De in cellen veranderde plasma-bollen, welke
niet tot eenen kiem-aanleg uitgroeijen, verdwijnen nu weldra
met de draad-aanhangsels en de stuifmeelbuis.
In de groep der coniferen en andere naaktzadigen vallen
de stuifmeelcellen regtstreeks op den door geen vruchtbegin-
sel omringden zaadknop. Door het vrij wijde poortje geraakt
de stuifmeelkorrel onmiddellijk op den top der kern.
Reeds boven (bl. 283) werd vermeld, dat bij de coniféren
de stuifmeelbuis uit eene dochtercel van den stuifmeelkorrel
ontstaat. Eeeds vóór de bevruchting vult zich hierbij de
den top 2 onbevruchte plasma-bollen — p — waarop zich een glanzend, dradig be-
kleedsel — d — bevindt. B. Door verdwyning van den top des kiemzaks puilen de
plasma-bollen vrij daarbuiten uit, zoodat de stuifmeelbuis — — door het draad-
bekleedsel — d — heendringende, met beide in aanraking komen, d. i. ze bevruchten
kan, waarvan de eerste aanduiding te vinden is in den celstofwand, waarmede deze
plasma-bollen — p — weldra omringd worden. C. Het gezwollene uiteinde der stuifmeef-
buis — sb — blijft hierbij gesloten en hangt naauw met het draadbekleedsel — d —
te zamen. Slechts één der in den kiemzak — kz — bevruchte plasma-bollen — p —
nu tot volkomene cellen met dubbele wanden overgegaan z\jnde, zal tot de kiem
uitgroeijen en wel die (hier regts zigtbaar), waarin bereids eene dochter-eel-vorming
op te merken is; de andere za] later verdwijnen.