Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
294
Behalve de gemelde omhulsels komen op deze of gene
plaats der zaadknoppen niet zelden nog verschillend gevormde
uitgroeisels voor, waarvan vele slechts de aanleg zijn van
aanhangsels, die zich op de tot
zaden gerijpte zaadknoppen veel
duidelijker vertoonen.
Eene vaatbundel-vorming
komt in de zaadknoppen zelven
niet voor; het vaatbundeltakje
van den knopdrager eindigt al-
tijd in den voet van de kern;
daarom vindt men dit einde bij omgekeerde zaadknoppen,
waarop dit takje, gelijk zoo even gezegd is, eene uitpuilende
streep vormt, op eenigen afstand, nagenoeg loodregt te-
genover de uitwendig zigtbare aanhechtings-plaats des zaad-
knops; bij de gekromde zaadknoppen daarnaast. — De uit
parenchym gevormde omhulsels zijn aan weerszijden met een
dun epithelium bekleed,
In de aanvankelijk geheel uit een teêr parenchym bestaande
kern wordt weldra, somwijlen reeds bij het eerste ontstaan
der omhulsels, ééne enkele cel sterk uitgezet, waarbij dan
de overige cellen grootendeels of bijna geheel verdwijnen. (*)
Met deze vergroote cel, welke eene celkern, celsap en veel
plasma bevat, komen de uiteinden der stuifmeelbuizen in aan-
raking, hetgeen eene reeks van veranderingen ten gevolge
heeft; — deze zullen nu in de beide volgende hoofdstukken
kortelijk worden medegedeeld.
400. Zaadknop van de papenmuts {Ev6nymu$ europaéus), waarop zich van lieverlede
(A, B en C) «en bijkomend omhulsel vormt, nadat de zaadknop reeds geheel ontwik-
keld is; D. Dezelfde, overlangs doorgesneden. Men noemt het gewoonlijk zaadrok;
andere aanhangsels heeten kam, kuif, enz. Hun oorsprong is niet zelden zeer ver-
schillend; het zijn soms uitgroeisels van den knopdrager; soms van de randen van
het poortje (z. b. noot 398), enz,
(•) In de overlangsche doorsneden fig. .398 C, 399 B en D ziet men deze cel —
kiemzak genoemd — nagenoeg in het midden der kernen nabij haren top gelegen.—
Bij eenige weinige planten vindt men meerdere kiemzakken naast elkander in den-
»clfden zaadknop.