Boekgegevens
Titel: De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Auteur: Coster, D.J.
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1864 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1046 E 14
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200028
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De plantkunde: voor zelfstandige oefening of ten gebruike bij het middelbaar en tot voorbereiding voor het hooger onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page


i i'OW
Hij bestaat uit los vereenigde cellen, die aan zijne oppei*-
vlakte meestal tepelvormig ver-
heven zijn en soms ook tot haar-
tjes zijn verlengd. Uit die cellen
dringt bij rijpheid der stampers
een kleverig zoet vocht, de stuif-
meelcellen, welke daarop mogten
neêrvallen, vasthoudende en ze
gelegenheid gevende tot vorming
der stuifmeelbuizen. Spoedig daar-
na verdroogt gewoonlijk de stempel met den stijl, terwijl het
vruchtbeginsel langzamerhand grooter wordt en met de daarin
bevatte zaadknoppen tot eene vrucht rijpt. De kleur der
stempels verschilt meermalen van die der stijlen en vrucht-
beginsels, bij welke namelijk de groene kleur het meest
voorkomt.
Een zaadknop kan op het deel, waarop hij be-
vestigd is, als eind- of okselknop, of, zoo als het
meest het geval is, als bijknop ontwikkelen. Gelijk
iedere knop bestaat hij uit een as-gedeelte, — kern
genaamd, — welke in eenige weinige plantengroe-
pen (*) zonder omhulsels blijft, in de overige echter 391. Kern
één (t) of meerdere (§) verkrijgt. Deze omhulsels zijn
vliezig van aard en ontwikkelen zich, waar zij voor-
komen, achtereenvolgens rondom de kern, welke, bij
vao een
(*) Loranthacéën, Hippuridéën, Santalacéën, enz.
(t) O. a. bij de meeste Coniferen, bij de Labiäten, Boraginéën en vele andere twee-
zaadlobbigen met ongescheidene bloemkroonen.
($) O. a. by de meeste tweezaadlobbigen met veelbladige bloemkroonen en bij na-
genoeg alle eenzaadlobbigen.
396. Stempels met een gedeelte der stijlen: A. van de nachtschoone {Mirdbilis Ja-
lappa); B. van het rondbladig klokje {Campanula rotündifólia); C. van het vinger-
dragend hondsgras {Cynódon Ddctylon). D. Stempels zonder stijl op het vruchtbeginsel
van den slaapverwekkenden maankop {Papdver somniferum). — Bij de Apocynêën
zijn de beide stijlen en stempels tot een koepel- of klokvormig deel vereenigd, het-
welk met eene was-achtige opperhuid bekleed is en waaronder de stempelvlakten ge-
legen zijn. Bij de Asclepiadéen (z. b. fig. 380) is de stempel op de beide stijlen tot
een betrekkelijk breed, min of meer vijflioekig ligchaam uitgegroeid, dat met 5 klier-
tjes bezet is, en bij de Orchidéën eindelijk (z. b. fig. 379) is de stijl met den helm-
draad tot een zuilvormig vleezig ligchaam vereenigd, op w-lks voorzijde zich, in den
vorm eener met eene kleverige stof bedekte groeve, de stempel bevindt, terwijl op de
achterzijde de helmknop gevonden wordt.
397. Zaadknop van eene duizendknoop-soort {Polygonum cymósum), van zijne om-
hulsels ontdaan; — d\is alleen de kern.